Dutch

Detailed Translations for inhoud from Dutch to German

inhoud:

inhoud [de ~ (m)] nomen

  1. de inhoud (betekenis)
    der Inhalt; die Bedeutung; der Sinn
  2. de inhoud (wat ergens in zit)
  3. de inhoud (waarmee iets gevuld is)
  4. de inhoud (inhoudsopgave; index; register)
  5. de inhoud (omvatte ruimte; capaciteit)
    die Kapazität; Potential; die Fähigkeit; Vermögen; Leistungsvermögen; die Leistung; die Leistungsfähigkeit; die Energie
  6. de inhoud (grootte in de ruimte; volume)
    Volumen; der Inhalt
  7. de inhoud

Translation Matrix for inhoud:

NounRelated TranslationsOther Translations
Bedeutung betekenis; inhoud afmeting; bedoeling; beduidenis; beduiding; belang; betekenis; dimensie; doel; formaat; grootte; maat; mate; nut; omvang; waarde; zin
Energie capaciteit; inhoud; omvatte ruimte aandrift; capaciteit; daadkracht; dynamiek; electrische stroom; energie; esprit; functionaliteit; fut; geestkracht; gelegenheden; kansen; kracht; mogelijkheid; mogelijkheid tot verwezenlijking; momentum; potentie; puf; stroom; stuwkracht; vermogen; voortstuwing; voortvarendheid; werklust; werkzaamheid; wilskracht
Fähigkeit capaciteit; inhoud; omvatte ruimte aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; incasseringsvermogen; knapheid; knobbel; kracht; kunde; kundigheid; kwaliteit; scherpzinnigheid; schoonheid; talent; ter zake kundigheid; veerkracht; vermogen; vernuft; weerstand; weerstandsvermogen
Inhalt betekenis; grootte in de ruimte; inhoud; volume; waarmee iets gevuld is; wat ergens in zit capaciteit; inhoudsruimte; volume
Inhaltsverzeichnis index; inhoud; inhoudsopgave; register Inhoud; hoofdboek; inhoudsopgave; kadaster; kadasterbureau; klapper; telefoonklapper
Kapazität capaciteit; inhoud; omvatte ruimte Capaciteit; aanleg; autoriteiten; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; gezag; gezaghebbers; knobbel; kracht; kundigheid; kwaliteit; motorvermogen; scherpzinnigheid; talent; ter zake kundigheid; vermogen; vernuft
Leistung capaciteit; inhoud; omvatte ruimte aanleg; arbeidsprestatie; begaafdheid; bekwaamheid; betaling; bezigheid; bravourstuk; capaciteit; gave; grote daad; hobby; knobbel; kracht; krachttoer; kundigheid; prestatie; scherpzinnigheid; stunt; talent; toer; vernuft; verrichting; werkprestatie
Leistungsfähigkeit capaciteit; inhoud; omvatte ruimte aandrift; aanleg; arbeidskracht; arbeidsvermogen; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; daadkracht; energie; esprit; functionaliteit; fut; gave; knobbel; kracht; kundigheid; kwaliteit; lichamelijke geschiktheid; momentum; prestatievermogen; puf; scherpzinnigheid; talent; ter zake kundigheid; validiteit; vermogen; vernuft; werkkracht; werklust; werkvermogen; werkzaamheid
Leistungsvermögen capaciteit; inhoud; omvatte ruimte aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; draagkracht; draagvermogen; gave; knobbel; kracht; kundigheid; laadvermogen; prestatievermogen; scherpzinnigheid; talent; vermogen; vernuft
Potential capaciteit; inhoud; omvatte ruimte aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft
Sinn betekenis; inhoud baat; bedoeling; beduidenis; beduiding; betekenis; doel; geest; gewin; nut; nuttigheid; profijt; strekking; teneur; winst; zin
Vermögen capaciteit; inhoud; omvatte ruimte arbeidskracht; arbeidsvermogen; belangrijkste geldbedrag; capaciteit; dynamiek; energie; felheid; fiksheid; financiële middelen; fortuin; fortuintje; geldelijk vermogen; geldmiddelen; grote som geld; hoofdsom; kapitaal; kracht; sterkte; vermogen; werkkracht; werkvermogen; werkzaamheid
Volumen grootte in de ruimte; inhoud; volume capaciteit; geluidssterkte; geluidsvolume; inhoudsruimte; toonsterkte; volume
was irgendwo drinnen ist inhoud; wat ergens in zit
womit etwas gefüllt ist inhoud; waarmee iets gevuld is
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
Inhalt inhoud Inhoud; inhoudsopgave

Related Definitions for "inhoud":

  1. alles wat in een tekst staat1
    • maak een samenvatting van de inhoud1
  2. wat erin zit of erin kan1
    • de inhoud van dit pak melk is bedorven1

Wiktionary Translations for inhoud:

inhoud
noun
  1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
  2. (wiskunde, nld) het product van lengte, breedte en hoogte
  3. het geheel van handelingen en gedachten vervat in een boek of ander medium
inhoud
noun
  1. das, was die Sache ausmacht; die Substanz; das, woraus sich eine Sache zusammensetzt (oft abstrakt und übertragen: Inhalt des Buches, des Vortrages, der Veranstaltung)

Cross Translation:
FromToVia
inhoud Inhalt content — that which is contained
inhoud Inhalt contents — that which is contained
inhoud Verzeichnis; Index index — alphabetical listing
inhoud Inhaltsverzeichnis; Inhalt table of contents — organized list summarizing book of document
inhoud Volumen volume — unit of three dimensional measure that consists of a length, a width and a height
inhoud Volumen; Band volumeampleur, grosseur d’une masse ; espace occuper par un corps ou celui pouvant être délimité par une ou des surfaces.

inhoud form of inhouden:

inhouden verb (houd in, houdt in, hield in, hielden in, ingehouden)

  1. inhouden (behelzen)
    enthalten; beinhalten; implizieren; lauten
    • enthalten verb (enthalte, enthältest, enthält, enthielt, enthieltet, enthalten)
    • beinhalten verb (beinhalte, beinhaltest, beinhaltet, beinhaltete, beinhaltetet, beinhaltet)
    • implizieren verb (impliziere, implizierst, impliziert, implizierte, impliziertet, impliziert)
    • lauten verb (laute, läutest, läutet, lautte, lauttet, gelautet)
  2. inhouden (bevatten)
    enthalten; beinhalten
    • enthalten verb (enthalte, enthältest, enthält, enthielt, enthieltet, enthalten)
    • beinhalten verb (beinhalte, beinhaltest, beinhaltet, beinhaltete, beinhaltetet, beinhaltet)
  3. inhouden (betekenen; neerkomen op)
    bedeuten
    • bedeuten verb (bedeute, bedeutest, bedeutet, bedeutete, bedeutetet, bedeutet)
  4. inhouden (in mindering brengen; verrekenen; aftrekken; afhouden)
    in Minderung bringen; abziehen; abhalten
    • abziehen verb (ziehe ab, ziehst ab, zieht ab, zog ab, zogt ab, abgezogen)
    • abhalten verb (halte ab, hälst ab, hält ab, hielt ab, hieltet ab, abgehalten)
  5. inhouden (rustig blijven; inslikken; beheersen)
    beherrschen; Ruhig bleiben
  6. inhouden (geen afstand doen van; houden; achterhouden)
    behalten
    • behalten verb (behalte, behältst, behält, behielt, behieltet, behalten)
  7. inhouden (blijven staan; stoppen; stilstaan; stilhouden)
    stehenbleiben
    • stehenbleiben verb (bleibe stehen, bleibst stehen, bleibt stehen, blieb stehen, bliebt stehen, stehengeblieben)

Conjugations for inhouden:

o.t.t.
  1. houd in
  2. houdt in
  3. houdt in
  4. houden in
  5. houden in
  6. houden in
o.v.t.
  1. hield in
  2. hield in
  3. hield in
  4. hielden in
  5. hielden in
  6. hielden in
v.t.t.
  1. heb ingehouden
  2. hebt ingehouden
  3. heeft ingehouden
  4. hebben ingehouden
  5. hebben ingehouden
  6. hebben ingehouden
v.v.t.
  1. had ingehouden
  2. had ingehouden
  3. had ingehouden
  4. hadden ingehouden
  5. hadden ingehouden
  6. hadden ingehouden
o.t.t.t.
  1. zal inhouden
  2. zult inhouden
  3. zal inhouden
  4. zullen inhouden
  5. zullen inhouden
  6. zullen inhouden
o.v.t.t.
  1. zou inhouden
  2. zou inhouden
  3. zou inhouden
  4. zouden inhouden
  5. zouden inhouden
  6. zouden inhouden
en verder
  1. ben ingehouden
  2. bent ingehouden
  3. is ingehouden
  4. zijn ingehouden
  5. zijn ingehouden
  6. zijn ingehouden
diversen
  1. houd in!
  2. houdt in!
  3. ingehouden
  4. inhoudend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

inhouden [het ~] nomen

  1. het inhouden (behelzen)
    Beinhalten

Translation Matrix for inhouden:

NounRelated TranslationsOther Translations
Beinhalten behelzen; inhouden
VerbRelated TranslationsOther Translations
Ruhig bleiben beheersen; inhouden; inslikken; rustig blijven
abhalten afhouden; aftrekken; in mindering brengen; inhouden; verrekenen afhouden; afweren; beletten; ervanaf houden; pareren; terughouden; weerhouden; weren
abziehen afhouden; aftrekken; in mindering brengen; inhouden; verrekenen afdekken; afruimen; aftrekken; getallen van elkaar aftrekken; opruimen; van het lijf trekken
bedeuten betekenen; inhouden; neerkomen op beduiden; duiden op; wijzen op
behalten achterhouden; geen afstand doen van; houden; inhouden handhaven; stand houden
beherrschen beheersen; inhouden; inslikken; rustig blijven bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; bevelen; commanderen; de overhand hebben; decreteren; domineren; gebieden; gelasten; gezaghebben; heersen; intomen; macht uitoefenen; matigen; opdragen; overheersen; regeren; verordenen
beinhalten behelzen; bevatten; inhouden
enthalten behelzen; bevatten; inhouden abstineren; afslaan; afwijzen; afwimpelen; bedanken; bijsluiten; bijvoegen; hongerstaken; insluiten; omtrekken; onthouden; opnemen; opslaan; toevoegen; vasten
implizieren behelzen; inhouden impliceren
in Minderung bringen afhouden; aftrekken; in mindering brengen; inhouden; verrekenen
lauten behelzen; inhouden doorgaan voor; heten; moeten doorgaan voor
stehenbleiben blijven staan; inhouden; stilhouden; stilstaan; stoppen blijven; niet veranderen; stil staan; stilstaan; toeven; tot stilstand komen; vertoeven; verwijlen
ModifierRelated TranslationsOther Translations
beherrschen gedomineerd; onderworpen

Synonyms for "inhouden":


Antonyms for "inhouden":


Related Definitions for "inhouden":

  1. je beheersen, niets zeggen, terwijl je dat graag zou willen1
    • ik werd erg boos, maar ik hield me in!1
  2. het niet uitbetalen1
    • ik houd voor straf een tientje van je zakgeld in1
  3. iets betekenen1
    • wat houdt dat plan van hem precies in?1

Wiktionary Translations for inhouden:


Cross Translation:
FromToVia
inhouden enthalten contain — To hold inside
inhouden implizieren; zur Folge haben imply — to have as a consequence
inhouden einschließen; enthalten; beinhalten renfermerenfermer de nouveau.
inhouden abziehen; subtrahieren; abräumen; fortnehmen; entziehen; wegnehmen; abschneiden; abholen; abnehmen; abrechnen retrancher — Traductions à vérifier et à trier

Related Translations for inhoud