Dutch

Detailed Translations for aandrift from Dutch to German

aandrift:

aandrift [de ~] nomen

  1. de aandrift (drift; instinct)
    die Leidenschaft; der Antrieb; der Geschlechtstrieb; der Trieb; die Leidenschaftlichkeit
  2. de aandrift (daadkracht; momentum; esprit; )
    die Leistungsfähigkeit; die Arbeitsfähigkeit; die Kraft; die Tatkraft; die Arbeitskraft; die Feurigkeit; die Schneidigkeit; die Energie; die Triebkraft; die Spannkraft; die Seele; die Hektik; die Inbrunst; die Arbeitslust
  3. de aandrift (aandrang; neiging; drang; impuls; drift)
    der Antrieb; der Andrag
  4. de aandrift (natuurdrift; instinct)
    der Instinkt; der Antrieb

Translation Matrix for aandrift:

NounRelated TranslationsOther Translations
Andrag aandrang; aandrift; drang; drift; impuls; neiging
Antrieb aandrang; aandrift; drang; drift; impuls; instinct; natuurdrift; neiging aandriften; aandrijving; driften; motor; stuwkracht; voortstuwing
Arbeitsfähigkeit aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust arbeidskracht; arbeidsvermogen; functionaliteit; werkkracht; werkvermogen; werkzaamheid
Arbeitskraft aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust arbeider; arbeidskracht; arbeidsvermogen; kracht; macht; mankracht; personeel; staf; vermogen; werker; werkkracht; werkman; werknemer; werkvermogen; werkzaamheid
Arbeitslust aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust
Energie aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust capaciteit; dynamiek; electrische stroom; energie; functionaliteit; geestkracht; gelegenheden; inhoud; kansen; kracht; mogelijkheid; mogelijkheid tot verwezenlijking; omvatte ruimte; potentie; stroom; stuwkracht; vermogen; voortstuwing; voortvarendheid; werkzaamheid; wilskracht
Feurigkeit aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust temperament; vurigheid
Geschlechtstrieb aandrift; drift; instinct geslachtsdrift; paringsdrang; prikkels; seksuele prikkels
Hektik aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust agitatie; beroering; drukte; gejaagdheid; gewoel; hectiek; kouwe drukte; ongedurigheid; onrust; stress
Inbrunst aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust drift; felheid; genoegen; genot; heftigheid; hevigheid; intensiteit; kracht; lust; wellust
Instinkt aandrift; instinct; natuurdrift gevoel; instinct; intuïtie
Kraft aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust daadkrachtigheid; dynamiek; energie; felheid; fiksheid; gelegenheden; gespierdheid; kansen; kracht; macht; mogelijkheid; mogelijkheid tot verwezenlijking; potentie; sterke kant; sterke zijde; sterkte; stuwkracht; vermogen; voortstuwing
Leidenschaft aandrift; drift; instinct bezetenheid; drift; genoegen; genot; gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; jool; leut; lust; obsessie; overgave; passie; plezier; pret; seksuele begeerte; vurigheid; vuur; wellust
Leidenschaftlichkeit aandrift; drift; instinct driftigheid; felheid; gedrevenheid; heftigheid; hevigheid; intensiteit; kracht
Leistungsfähigkeit aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust aanleg; arbeidskracht; arbeidsvermogen; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; functionaliteit; gave; inhoud; knobbel; kracht; kundigheid; kwaliteit; lichamelijke geschiktheid; omvatte ruimte; prestatievermogen; scherpzinnigheid; talent; ter zake kundigheid; validiteit; vermogen; vernuft; werkkracht; werkvermogen; werkzaamheid
Schneidigkeit aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust adremheid; bijdehandheid; bitsheid; dapperheid; durf; fermheid; gevatheid; gewaagdheid; in vorm zijn; kattigheid; koenheid; kordaatheid; kranigheid; lef; moed; onversaagdheid; puntig zijn; puntigheid; scherpheid; scherpte; scherpzinnigheid; schranderheid; snedigheid; spitsheid; spitsvondigheid; vinnigheid
Seele aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust aard; geaardheid; gemoed; inborst; inslag; karakter; mentaliteit; natuur; ziel
Spannkraft aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust functionaliteit; rek; spankracht; veerkracht; werkzaamheid
Tatkraft aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust arbeidskracht; arbeidsvermogen; energie; functionaliteit; geestkracht; krachtdadigheid; werkkracht; werkvermogen; werkzaamheid; wilskracht
Trieb aandrift; drift; instinct drift; drijven van vee; genoegen; genot; jonge plant; jool; leut; loot; lust; plantestekje; plezier; pret; rank; ranken; scheut; schoot; seksuele begeerte; spruit; stek; stekje; voortgedreven vee
Triebkraft aandrift; daadkracht; energie; esprit; fut; kracht; momentum; puf; werklust aandrijving; aanmoediging; aansporing; animering; dynamiek; gistkracht; groeikracht; levensvatbaarheid; motor; opwekking; prikkel; stimulans; stimulering; stuwkracht; voortstuwing

Wiktionary Translations for aandrift:

aandrift
noun
  1. sterke opwelling om iets te doen, innerlijke drang

Cross Translation:
FromToVia
aandrift Drang urge — a strong desire; an itch to do something
aandrift Andrang; Andrift; Antrieb; Impuls; Trieb incitationaction d’inciter.