Dutch

Detailed Translations for voelen from Dutch to Spanish

voelen:

Conjugations for voelen:

o.t.t.
  1. voel
  2. voelt
  3. voelt
  4. voelen
  5. voelen
  6. voelen
o.v.t.
  1. voelde
  2. voelde
  3. voelde
  4. voelden
  5. voelden
  6. voelden
v.t.t.
  1. heb gevoeld
  2. hebt gevoeld
  3. heeft gevoeld
  4. hebben gevoeld
  5. hebben gevoeld
  6. hebben gevoeld
v.v.t.
  1. had gevoeld
  2. had gevoeld
  3. had gevoeld
  4. hadden gevoeld
  5. hadden gevoeld
  6. hadden gevoeld
o.t.t.t.
  1. zal voelen
  2. zult voelen
  3. zal voelen
  4. zullen voelen
  5. zullen voelen
  6. zullen voelen
o.v.t.t.
  1. zou voelen
  2. zou voelen
  3. zou voelen
  4. zouden voelen
  5. zouden voelen
  6. zouden voelen
diversen
  1. voel!
  2. voelt!
  3. gevoeld
  4. voelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

voelen [znw.] nomen

  1. voelen (afvoelen; aftasten; tasten)
    el palpar

Translation Matrix for voelen:

NounRelated TranslationsOther Translations
contemplar aankijken; aanschouwen; in de ogen kijken
entender begrijpen; inzicht
palpar aftasten; afvoelen; tasten; voelen
pensar denken; prakkizeren
percibir innen
tocar aanraken; aantikken
ver aankijken; aanschouwen; in de ogen kijken
VerbRelated TranslationsOther Translations
advertir bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; voelen; waarnemen; zien attenderen; bemerken; bewust maken; gewaarworden; informeren; inlichten; inseinen; kennisgeven van; merken; op de hoogte brengen; opmerken; signaleren; tippen; van iets in kennis stellen; verwittigen; waarnemen; waarschuwen; wijzen; zeggen
compartir los sentimientos de inleven; invoelen; meeleven; voelen
contemplar bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien aanschouwen; afwegen; bedenken; bekijken; beschouwen; bespiegelen; blikken; blikken werpen; gadeslaan; in de gaten houden; in het oog houden; kijken; nadenken; observeren; onderscheiden; ontwaren; opletten; opmerken; overdenken; overpeinzen; overwegen; peinzen; speurend kijken; staren; toezien; turen; waarnemen; zien
creer inleven; invoelen; meeleven; voelen aannemen; geloven
darse cuenta de bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; voelen; waarnemen; zien aanschouwen; begrijpen; bekijken; bemerken; beseffen; doorzien; een blik werpen; gewaarworden; inzien; kijken; merken; met het verstand vatten; onderkennen; onderscheiden; ontwaren; opmerken; realiseren; signaleren; snappen; staren; turen; waarnemen; zien
distinguir bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien aankijken; aanschouwen; bekijken; bemerken; beseffen; differentiëren; doorzien; een ereteken geven; gadeslaan; gewaarworden; inzien; karakteriseren; kenmerken; kenschetsen; kijken; merken; observeren; onderkennen; onderscheid maken; onderscheiden; ontwaren; opmerken; realiseren; signaleren; staren; te zien krijgen; tekenen; toeschouwen; turen; typeren; uit elkaar houden; uiteenhouden; van elkaar onderscheiden; waarnemen; zien
entender inleven; invoelen; meeleven; voelen begrijpen; beseffen; betrappen; doorhebben; doorzien; doorzien hebben; inzien; kennen; met het verstand vatten; onderkennen; ondervragen; opvatten; overhoren; realiseren; snappen; uithoren; uitvragen; verhoren; verstaan
entrever bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; voelen; waarnemen; zien
estar presente bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien aanwezig zijn; bijwonen; er zijn; erbij zijn; tegenwoordig zijn
experimentar beleven; ervaren; gewaarworden; inleven; invoelen; meeleven; ondervinden; voelen aanschouwen; bekijken; doorleven; doormaken; doorstaan; ervaren als; experimenteren; kijken; meemaken; onderscheiden; ontwaren; opmerken; staren; turen; verdragen; verduren; verteren; zien
identiicarse con inleven; invoelen; meeleven; voelen
imaginarse inleven; invoelen; meeleven; voelen
intuir inleven; invoelen; meeleven; voelen aanvoelen; voorvoelen
manosear betasten; bevoelen; voelen foezelen; friemelen; frunniken; vingeren
notar bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien aankijken; aanmerken; aanrekenen; aanschouwen; aanwrijven; bekijken; bemerken; berispen; beschuldigen; blameren; gadeslaan; gewaarworden; gispen; kijken; laken; merken; nadragen; observeren; onderscheiden; ontwaren; opmerken; signaleren; staren; terechtwijzen; toeschouwen; turen; vermanen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden; waarnemen; zien
observar bekijken; bemerken; bespeuren; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; ontwaren; signaleren; voelen; waarnemen; zien aanblikken; aankijken; aanmerken; aanschouwen; aanzien; bekijken; bekrachtigen; bemerken; bestempelen; certificeren; gadeslaan; gewaarworden; in de gaten houden; in het oog houden; kijken; merken; observeren; onderscheiden; ontwaren; opletten; opmerken; schouwen; signaleren; staren; toekijken; toeschouwen; toezien; turen; waarmerken; waarnemen; zien
opinar inleven; invoelen; meeleven; voelen menen; van mening zijn
palpar betasten; bevoelen; voelen
pasar por beleven; ervaren; gewaarworden; ondervinden; voelen aankomen; berechten; bezoeken; doorgaan voor; doorheen reizen; doorleven; doormaken; doorreizen; doorstaan; een stapje verder gaan; erdoor gaan; heten; iemand opzoeken; inlopen; langsgaan; langskomen; moeten doorgaan voor; op bezoek komen; op visite gaan; opzoeken; reizen door; verdergaan; verdragen; verduren; verteren; vervolgen; voorbijkomen; voorbijlopen
pensar inleven; invoelen; meeleven; voelen afwegen; bedenken; beschouwen; bespiegelen; considereren; denken; fantaseren; in overweging nemen; meedenken; mijmeren; nadenken; overdenken; overpeinzen; overwegen; peinzen; piekeren; prakkiseren; uitdenken; verdichten; verzinnen; voorwenden
percibir bekijken; bemerken; bespeuren; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; ontwaren; signaleren; voelen; waarnemen; zien aanblikken; aankijken; aanschouwen; aanzien; bekijken; bemerken; casseren; gadeslaan; gewaarworden; in de gaten houden; in het oog houden; kijken; merken; observeren; onderscheiden; ontwaren; opletten; opmerken; signaleren; staren; te zien krijgen; toeschouwen; toezien; turen; uit elkaar houden; uiteenhouden; waarnemen; zien
sentir beleven; ervaren; gewaarworden; iets voelen; inleven; invoelen; meeleven; ondervinden; voelen aanvoelen; betreuren; jammer vinden; voorvoelen
tocar aanraken; betasten; bevoelen; voelen aangaan; aanroeren; aanstippen; bespelen; betreffen; even aanraken; raken; ten deel vallen; toekomen; toevallen
ver bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien aankijken; aanschouwen; bekijken; bekrachtigen; bestempelen; certificeren; gadeslaan; kijken; merken; observeren; onderscheiden; ontwaren; opmerken; staren; toeschouwen; turen; waarmerken; waarnemen; weergeven; zien

Related Definitions for "voelen":

  1. ervaren door je zintuigen te gebruiken1
    • voel je hoe zacht deze stof is?1
  2. het merken of ondervinden1
    • hij voelt zich ziek1

Wiktionary Translations for voelen:

voelen
verb
  1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk

Cross Translation:
FromToVia
voelen sentir feel — transitive: to experience an emotion or other mental state about
voelen palpar palper — Traductions à trier suivant le sens
voelen sentir ressentir — Sentir, éprouver.
voelen oler; sentir; olfatear sentir — Traductions à trier suivant le sens
voelen palpar tâtertoucher, manier doucement une chose, pour savoir si elle est dure ou molle, sec ou humide, froide ou chaude, etc.

Related Translations for voelen