Dutch

Detailed Translations for tref from Dutch to Spanish

tref:


tref form of treffen:

Conjugations for treffen:

o.t.t.
  1. tref
  2. treft
  3. treft
  4. treffen
  5. treffen
  6. treffen
o.v.t.
  1. trof
  2. trof
  3. trof
  4. troffen
  5. troffen
  6. troffen
v.t.t.
  1. heb getroffen
  2. hebt getroffen
  3. heeft getroffen
  4. hebben getroffen
  5. hebben getroffen
  6. hebben getroffen
v.v.t.
  1. had getroffen
  2. had getroffen
  3. had getroffen
  4. hadden getroffen
  5. hadden getroffen
  6. hadden getroffen
o.t.t.t.
  1. zal treffen
  2. zult treffen
  3. zal treffen
  4. zullen treffen
  5. zullen treffen
  6. zullen treffen
o.v.t.t.
  1. zou treffen
  2. zou treffen
  3. zou treffen
  4. zouden treffen
  5. zouden treffen
  6. zouden treffen
en verder
  1. ben getroffen
  2. bent getroffen
  3. is getroffen
  4. zijn getroffen
  5. zijn getroffen
  6. zijn getroffen
diversen
  1. tref!
  2. treft!
  3. getroffen
  4. treffend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

treffen [het ~] nomen

  1. het treffen (ontmoeting)
    el encuentro; el enfrentamiento
  2. het treffen (raken)
    el enfrentamiento

Translation Matrix for treffen:

NounRelated TranslationsOther Translations
encuentro ontmoeting; treffen bijeenkomst; concours; manifestatie; partij; pot; samenkomst; strijd; vergadering; wedstrijd; zitting
enfrentamiento ontmoeting; raken; treffen argument; botsing; conflict; confrontatie; onenigheid; ruzie; twist
golpear bekloppen
reunirse samenkomen
tomar beetnemen; beetpakken; greep; vastpakken
VerbRelated TranslationsOther Translations
adoptar beroeren; beïnvloeden; raken; treffen aannemen; adopteren; annexeren; een mening aanhangen; een mening zijn toegedaan; inlijven; overnemen
afectar beïnvloeden; raken; treffen aangaan; afbreuk doen aan; belasteren; benadelen; betreffen; bezeren; blesseren; deren; duperen; inwerken; krenken; kwaadspreken; kwetsen; lasteren; nadeel toebrengen; schade berokkenen; schade toebrengen aan; schaden; slaan op; smaden; verwonden
alcanzar beroeren; raken; treffen aangeven; aanreiken; achteropkomen; behalen; bereiken; binnenbrengen; binnenhalen; brengen; doordringen; gebukt gaan onder; geraken; geven; inhalen; inlopen; komen tot; langs brengen; meebrengen; penetreren in; reiken; terecht komen; torsen; verkrijgen; winnen
azotar beroeren; raken; treffen afranselen; iemand raken; iemand toetakelen; iemand treffen; knuppelen
batir beroeren; raken; treffen beroeren; iemand raken; iemand treffen; inkloppen; klutsen; knuppelen; ranselen; roeren
comer un peón beroeren; raken; treffen iemand raken; iemand treffen
conmover beroeren; beïnvloeden; ontroeren; raken; treffen bewegen; omroeren; opschudden; roeren; zich verplaatsen
dar golpes beroeren; raken; treffen aankloppen; aantikken; beuken; bomen kappen; een klap geven; hakken; houwen; iemand raken; iemand treffen; kappen; kloppen; omhakken; rammen; slaan; tikken; vellen
emocionar beroeren; ontroeren; raken; treffen
encontrar beroeren; raken; treffen aanboren; aantreffen; boren; lokaliseren; ontdekken; oprijzen; opsporen; rijzen; tegenkomen; traceren; vinden
encontrarse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; ontmoeten; samenkomen; tegenkomen; treffen aantreffen; bij elkaar komen; bijeen komen; elkaar ontmoeten; ergens verkeren; gelegen zijn; liggen; ontdekken; samenkomen; tegenkomen; uithangen; verkeren; verzamelen; vinden; zich bevinden; zijn
encontrarse con ontmoeten; tegenkomen; treffen tegen het lijf lopen
golpear beroeren; raken; treffen aankloppen; aantikken; beuken; bonken; bonzen; een klap geven; hameren; hard slaan; heien; hengsten; iemand raken; iemand treffen; ineenslaan; inkloppen; klepperen; kletteren; kloppen; luiden; meppen; rammelen; rammen; slaan; tegen elkaar slaan; tikken; timmeren
influenciar beïnvloeden; raken; treffen
influir en beïnvloeden; raken; treffen beïnvloeden
ir a parar en raken; terechtkomen; treffen
juntarse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen bij elkaar komen; bijeen komen; elkaar ontmoeten; samenkomen; samenstromen; scharen; verzamelen
llegar a raken; terechtkomen; treffen bereiken; doordringen; komen tot; penetreren in; reiken
mover beroeren; ontroeren; raken; treffen bewegen; deponeren; disloqueren; duwen; gaan; iets verplaatsen; leggen; lopen; mixen; mobiliseren; neerleggen; neerzetten; omroeren; onderuit halen; opschudden; plaatsen; roeren; stappen; stationeren; verleggen; verplaatsen; verschikken; verschuiven; vervoeren; verzetten; voortbewegen; voortduwen; vooruitduwen; wriggelen; wrikken; zetten; zich verplaatsen; zich voortbewegen
pegar beroeren; raken; treffen aan elkaar bevestigen; aan elkaar hangen; aan elkaar kleven; aan elkaar plakken; aaneen plakken; aaneenplakken; aanhechten; aankleven; aanlijmen; afbedelen; afranselen; beplakken; bevestigen; bonken; hameren; hechten; heien; iemand raken; iemand toetakelen; iemand treffen; iets vastkleven; inplakken; kitten; kleven; klitten; lijmen; opplakken; plakken; rammen; samenplakken; slaan; vasthechten; vastkleven; vastlijmen; vastmaken; vastplakken
quedarse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen elkaar ontmoeten
reunirse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen bij elkaar komen; bijeen komen; bijeenkomen; elkaar ontmoeten; in bespreking zijn; samenkomen; vergaderen; verzamelen
revolver beroeren; ontroeren; raken; treffen beroeren; bewegen; graaien; grabbelen; in beweging brengen; in iets rondtasten; overhoop halen; rommelen; rondwroeten; snuffelen
tener que ver con beïnvloeden; raken; treffen
tener suerte beroeren; beïnvloeden; raken; treffen boffen; geluk hebben; het treffen; mazzel hebben; zwijnen
tomar beroeren; raken; treffen aanpakken; aanvatten; aanwenden; annexeren; belopen; benutten; betrappen; betreden; bewandelen; binden; binnenkrijgen; boeien; consumeren; controleren; dineren; doorslikken; eten; examineren; gebruik maken van; gebruiken; halen; iemand raken; iemand treffen; inlijven; inslikken; inspecteren; ketenen; keuren; kluisteren; obsederen; opeten; opslokken; opvreten; overnemen; pakken; schouwen; slikken; snappen; tafelen; te voet afleggen; toepassen; uitgebreid eten; verbruiken; vreten; zwelgen
tropezarse con ontmoeten; tegenkomen; treffen aantreffen; tegenkomen; vinden
verse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen
- ontmoeten; raken

Related Words for "treffen":


Synonyms for "treffen":


Antonyms for "treffen":


Related Definitions for "treffen":

  1. iemand toevallig tegenkomen1
    • jammer dat ik je niet op dat feest getroffen heb1
  2. hem een klap, schot of stoot toebrengen1
    • de soldaat werd door een kogel getroffen1

Wiktionary Translations for treffen:

treffen
verb
  1. raak schieten

Cross Translation:
FromToVia
treffen acción; batalla combat — a battle; a fight; a struggle for victory
treffen pegar; golpear; dar; batir hit — to give a blow
treffen encontrarse; encontrar meet — encounter by accident
treffen encontrarse meet — see through arrangement
treffen reunión meeting — gathering for a purpose
treffen golpear; pegar strike — to hit
treffen jornadas Treffen — Zusammenkunft von Menschen oder Verbänden zu einem bestimmten Zweck
treffen encuentro TreffenMilitär: kleine Kampfhandlung
treffen afligir affligerabattre moralement.
treffen afrontamiento affrontementaction de batailler, de combattre, de défier.
treffen alcanzar; conseguir atteindretoucher de loin au moyen d’un projectile.
treffen batalla; golpe; acción bataille — guerre|fr combat général entre deux armées.
treffen batalla; acción combataction par laquelle on attaquer et l’on se défendre.
treffen golpear; pegar frapper — A TRIER
treffen llegar parvenir — Arriver à un point donné à la suite d’un déplacement. (Sens général)
treffen encontrar; encontrarse con; topar; dar con; chocar contra rencontrertrouver en chemin une personne ou une chose.
treffen encontrar; hallar trouverrencontrer ce que l’on chercher.