Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. schepper:


Dutch

Detailed Translations for schepper from Dutch to Spanish

schepper:

schepper [de ~ (m)] nomen

  1. de schepper (aker; schepemmer)
    el cubo
  2. de schepper (maker; auteur; voortbrenger)
    el autor; la autora; el elaborador; el fabricante; el creador; el hacedor
  3. de schepper (creator; maker)
    el creador
  4. de schepper (God; Here)
    el Dios

Translation Matrix for schepper:

NounRelated TranslationsOther Translations
Dios God; Here; schepper Almachtige; God; Schepper; almachtige; heer; hemelheer; hemelvader; opperwezen
autor auteur; maker; schepper; voortbrenger aanstichter; auteur; dader; dichter; initiatiefnemer; samensteller; schrijver; tekstdichter; tekstschrijver; veroorzaker
autora auteur; maker; schepper; voortbrenger auteur; auteure; dichteres; poëte; schrijfster
creador auteur; creator; maker; schepper; voortbrenger auteur
cubo aker; schepemmer; schepper OLAP-kubus; bak; barrel; bucket; emmer; fust; kubus; kuip; naaf; pot; schepvat; teil; ton; vat
elaborador auteur; maker; schepper; voortbrenger fabrikant; producent; vervaardiger
fabricante auteur; maker; schepper; voortbrenger fabrikant; producent; vervaardiger
hacedor auteur; maker; schepper; voortbrenger
ModifierRelated TranslationsOther Translations
creador scheppend
fabricante fabricerend; producerend

Related Words for "schepper":