Dutch

Detailed Translations for lever from Dutch to Spanish

lever:

lever [de ~] nomen

  1. de lever
    el hígado

Translation Matrix for lever:

NounRelated TranslationsOther Translations
hígado lever

Related Words for "lever":

  • leveren, levers, levertje, levertjes

Related Definitions for "lever":

  1. orgaan in buikholte dat je bloed zuivert1
    • hij heeft last van zijn lever1

Wiktionary Translations for lever:

lever
noun
  1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert

Cross Translation:
FromToVia
lever hígado liver — organ of the body
lever hígado liver — organ as food
lever hígado LeberAnatomie: für den Stoffwechsel wichtigstes, inneres Organ von Tier und Mensch
lever hígado foie — Organe présent chez l’homme et chez la plupart des vertébrés, produisant la bile.

leveren:

Conjugations for leveren:

o.t.t.
  1. lever
  2. levert
  3. levert
  4. leveren
  5. leveren
  6. leveren
o.v.t.
  1. leverde
  2. leverde
  3. leverde
  4. leverden
  5. leverden
  6. leverden
v.t.t.
  1. heb geleverd
  2. hebt geleverd
  3. heeft geleverd
  4. hebben geleverd
  5. hebben geleverd
  6. hebben geleverd
v.v.t.
  1. had geleverd
  2. had geleverd
  3. had geleverd
  4. hadden geleverd
  5. hadden geleverd
  6. hadden geleverd
o.t.t.t.
  1. zal leveren
  2. zult leveren
  3. zal leveren
  4. zullen leveren
  5. zullen leveren
  6. zullen leveren
o.v.t.t.
  1. zou leveren
  2. zou leveren
  3. zou leveren
  4. zouden leveren
  5. zouden leveren
  6. zouden leveren
en verder
  1. ben geleverd
  2. bent geleverd
  3. is geleverd
  4. zijn geleverd
  5. zijn geleverd
  6. zijn geleverd
diversen
  1. lever!
  2. levert!
  3. geleverd
  4. leverend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

leveren [znw.] nomen

  1. leveren
    el proveer; la distribución; el suministrar; el suministro
  2. leveren

Translation Matrix for leveren:

NounRelated TranslationsOther Translations
aprovisionamiento leveren aanvoer; bevoorrading; inrichten; maatregel; schikking; toevoer; verschaffing; voorziening
distribución leveren afgeven; afgifte; afleveren; aflevering; arrangement; bestelling; bezorging; distributie; distributiekantoor; geleverde; indeling; leverantie; levering; opstelling; ordening; overhandiging; rangschikking; schikking; uitdeling; uitgaaf; uitgifte; uitreiking; uitstrooiing; verspreiding; verstrekking
llevar wegdragen
proveer leveren
suministrar leveren
suministro leveren aflevering; afstaan; leverantie; levering; overdracht; uitlevering; verschaffing; voorziening; zending
traer langs brengen; meebrengen
VerbRelated TranslationsOther Translations
entregar aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren aanbieden; aangeven; aanreiken; afdragen; afgeven; afleveren; afstaan; bestellen; bezorgen; brengen; doneren; geven; gunnen; gunst verlenen; indienen; inleveren; inschrijven; offreren; opgeven; orderen; overdragen aan; overgeven; overhandigen; presenteren; rondbrengen; schenken; strijd opgeven; thuisbezorgen; toesteken; uitbetalen; verlenen; verstrekken
entregar a domicilio aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; overhandigen; thuisbezorgen
jugar a uno una mala pasada flikken; iemand iets flikken; lappen; leveren
llevar aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren aan hebben; aanvoeren; afgeven; afleveren; beroven van; bestellen; bevel voeren over; bezorgen; brengen; commanderen; depriveren; dragen; gebukt gaan onder; leiden; leidinggeven; ontnemen; overhandigen; te kort doen; terugbezorgen; thuisbezorgen; torsen
proveer optooien; toerusten; uitrusten; zich uitdossen; zich uitmonsteren; zich uitrusten
repartir aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren afleveren; arrangeren; bestellen; bezorgen; brengen; delen; distribueren; groeperen; gunnen; iets toekennen; indelen; opdelen; opsplitsen; ordenen; orderen; rondbrengen; ronddelen; rondgeven; rondreiken; splitsen; systematiseren; thuisbezorgen; toebedelen; toekennen; toewijzen; trakteren; uitdelen; uitreiken; verdelen; versturen; zenden; zich splitsen
repartir a domicilio aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren
suministrar aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; binnen gieten; brengen; geven; gunnen; gunst verlenen; iemand iets toedienen; ingeven; overhandigen; schenken; thuisbezorgen; verlenen; verstrekken; versturen; zenden
traer aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren aanslepen; afgeven; afhalen; afleveren; afnemen; bestellen; bezorgen; brengen; langs brengen; meebrengen; meenemen; ophalen; overhandigen; terugbezorgen; thuisbezorgen; toedragen; toevoeren; weghalen; wegnemen
- afleveren; bezorgen

Related Words for "leveren":


Synonyms for "leveren":


Antonyms for "leveren":


Related Definitions for "leveren":

  1. het op een bepaalde plek brengen1
    • hij levert kroketten aan verschillende snackbars1
  2. geven zodat er iets mee gedaan kan worden1
    • een koe levert minstens 20 liter melk1

Wiktionary Translations for leveren:

leveren
verb
  1. voor de aanvoer van iets zorg dragen

Cross Translation:
FromToVia
leveren abastecer; entregar; proveer; suministrar; surtir fournirpourvoir, approvisionner.
leveren entregar; suministrar; abandonar; delatar; denunciar; chivar livrer — Traductions à trier suivant le sens