Dutch

Detailed Translations for inzet from Dutch to Spanish

inzet:

inzet [de ~ (m)] nomen

  1. de inzet (doeleinde; doel; streven)
    el objetivo; la meta; la apuesta; la intencion; el fin; el gol
  2. de inzet (aanwending; toepassing; gebruik)
    la aplicación; la utilización; el uso; el empleo
  3. de inzet (speelgeld; poule; pot)
    el bote; la puesta; el plato; la banca
  4. de inzet (toewijding; devotie; overgave; )
    la dedicación; la devoción
  5. de inzet (aanvang; begin; opening; start)
    el comienzo; el inicio; el principio; la abertura

Translation Matrix for inzet:

NounRelated TranslationsOther Translations
abertura aanvang; begin; inzet; opening; start achterbuurt; buurtschap; doorkijk; eerlijkheid; gat; gehucht; gribus; insnijding; kijkje; kloof; krottenbuurt; krottenwijk; lek; lekken; onbevangenheid; openhartigheid; openheid; opening; oprechtheid; rechtschapenheid; rondborstigheid; rondheid; spleet; split; staartstuk; stuit; tussenruimte; uitsparing
aplicación aanwending; gebruik; inzet; toepassing aanwenden; aanwending; applicatie; behandeling; gebruik; hantering; industrie; programma; tak van nijverheid; toepassing; toepassingsgebied
apuesta doel; doeleinde; inzet; streven geld inzetten; gewaagde onderneming; gok; gokken; in zingen uitbarsten; inzetten; kans; lied aanheffen; lied inzetten; risico; risicovolle onderneming; waagstuk; weddenschap
banca inzet; pot; poule; speelgeld bankwezen
bote inzet; pot; poule; speelgeld blik; blikje; boot; bus; busje; opbergblik; scheepje; schip; schuit; schuitje; stoomschip; trom; trommel; vaartuig
comienzo aanvang; begin; inzet; opening; start aanheffen; effectief worden; ingaan; inzetten; van kracht worden
dedicación devotie; genegenheid; ijver; inzet; overgave; toegewijdheid; toewijding; trouw; zorgzaamheid aanhankelijkheid; affectie; bevelschrift; consigne; dwangbevel; gehechtheid; opdracht; order; taak; verknochtheid
devoción devotie; genegenheid; ijver; inzet; overgave; toegewijdheid; toewijding; trouw; zorgzaamheid ambitie; eerzucht; gelovigheid; godsdienstigheid; godsvrucht; godvrezendheid; godvruchtigheid; godzaligheid; kerksgezindheid; kerksheid; vroomheid
empleo aanwending; gebruik; inzet; toepassing ambacht; arbeid; arbeidsplaats; baan; baantje; bezigheid; dienst; dienstbetrekking; functie; hobby; inspanning; job; karwei; kerkviering; loonarbeid; loonwerk; mis; positie; taak; vak; werk; werkgelegenheid; werkkring; werkplek; werkzaamheid
fin doel; doeleinde; inzet; streven beëindiging; citadel; conclusie; crypte; deurslot; doelschijf; doelstelling; einde; eindpunt; eindstreep; end; finale; finish; finishlijn; graf; grafplaats; intentie; kasteel; meet; moedwil; onderaardse gang; oogmerk; ridderkasteel; ridderslot; rustplaats; slot; slotbeschouwing; sluiting; toeleg; uiteinde; volbrenging; voltooiing; voornemen
gol doel; doeleinde; inzet; streven doel bij voetbalwedstrijd; doelpunt; doelschijf; doelwit; gelukje; goal; intentie; moedwil; oogmerk; successtuk; toeleg; treffer; voornemen
inicio aanvang; begin; inzet; opening; start start
intencion doel; doeleinde; inzet; streven intentie; moedwil; voornemen
meta doel; doeleinde; inzet; streven doelschijf; intentie; moedwil; oogmerk; opzet; plan; planning; toeleg; voornemen
objetivo doel; doeleinde; inzet; streven aandrang; doel; doelschijf; doelstelling; drang; einddoel; intentie; moedwil; oogmerk; opzet; plan; planning; toeleg; voornemen; voorzetlens
plato inzet; pot; poule; speelgeld bak; bord; eetbord; etensbak; etensbakje; gerecht; kleiduif; omhulling; schoolbord; schotel
principio aanvang; begin; inzet; opening; start aanvangsfase; basis; basislijn; beginne; beginsel; dogma; fundament; fundering; geloofsartikel; grondgedachte; grondlijn; grondslag; grondstelling; hoofdstelling; ideologie; leefregel; leerbegrip; leerstelling; principe; stelregel; uitgangspunt; uitgangsvorm; vaststaande leerstelling; veronderstelling; vertrekpunt
puesta inzet; pot; poule; speelgeld geld inzetten; inzetten; leg
uso aanwending; gebruik; inzet; toepassing aanwenden; aanwending; gebruik; gebruiken; gewoontes; toepassing; tradities; usances; volksgebruik; zede; zeden
utilización aanwending; gebruik; inzet; toepassing aanwenden; aanwending; behandeling; benutting; gebruik; hantering; in gebruik nemen; toepassing; utilisatie
ModifierRelated TranslationsOther Translations
objetivo koel; nuchter; objectief; onpartijdig; zakelijk

Related Words for "inzet":


Related Definitions for "inzet":

  1. de mate waarin hij zich inspant1
    • deze leerlingen tonen veel inzet1
  2. geld dat je geeft voor een gokwedstrijd1
    • de inzet is 100 gulden1
  3. waar het om gaat1
    • de inzet van die ruzie was de keuze voor een televisieprogramma1

Wiktionary Translations for inzet:


Cross Translation:
FromToVia
inzet apuesta wager — the subject of a bet
inzet entonación; entonamiento intonation — (musique) manière d’attaquer un son, un air.

inzetten:

inzetten verb (zet in, zette in, zetten in, ingezet)

  1. inzetten (speelgeld inzetten)
  2. inzetten (verwedden; wedden)
  3. inzetten (inzet tonen)
  4. inzetten (op gang komen; beginnen; intreden)

Conjugations for inzetten:

o.t.t.
  1. zet in
  2. zet in
  3. zet in
  4. zetten in
  5. zetten in
  6. zetten in
o.v.t.
  1. zette in
  2. zette in
  3. zette in
  4. zetten in
  5. zetten in
  6. zetten in
v.t.t.
  1. heb ingezet
  2. hebt ingezet
  3. heeft ingezet
  4. hebben ingezet
  5. hebben ingezet
  6. hebben ingezet
v.v.t.
  1. had ingezet
  2. had ingezet
  3. had ingezet
  4. hadden ingezet
  5. hadden ingezet
  6. hadden ingezet
o.t.t.t.
  1. zal inzetten
  2. zult inzetten
  3. zal inzetten
  4. zullen inzetten
  5. zullen inzetten
  6. zullen inzetten
o.v.t.t.
  1. zou inzetten
  2. zou inzetten
  3. zou inzetten
  4. zouden inzetten
  5. zouden inzetten
  6. zouden inzetten
en verder
  1. ben ingezet
  2. bent ingezet
  3. is ingezet
  4. zijn ingezet
  5. zijn ingezet
  6. zijn ingezet
diversen
  1. zet in!
  2. zet in!
  3. ingezet
  4. inzettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

inzetten [de ~] nomen, plural

  1. de inzetten (geld inzetten)
    la puesta; la apuesta; la postura
  2. de inzetten

inzetten [het ~] nomen

  1. het inzetten (aanheffen)
    el empezar; el comienzo; el comenzar

Translation Matrix for inzetten:

NounRelated TranslationsOther Translations
apostar gokken; in zingen uitbarsten; lied aanheffen; lied inzetten
apuesta geld inzetten; inzetten doel; doeleinde; gewaagde onderneming; gok; gokken; in zingen uitbarsten; inzet; kans; lied aanheffen; lied inzetten; risico; risicovolle onderneming; streven; waagstuk; weddenschap
comenzar aanheffen; inzetten
comienzo aanheffen; inzetten aanvang; begin; effectief worden; ingaan; inzet; opening; start; van kracht worden
empezar aanheffen; inzetten aansnijden; entameren
implementación inzetten implementatie
iniciar aansnijden; entameren
postura geld inzetten; inzetten air; figuur; gedaante; geesteshouding; gestalte; gezindheid; houding; leg; lichaamshouding; lichaamspostuur; overtuiging; pose; positie; postuur; stand; stand van het lichaam; standje; standpunt; vaststaande mening; vorm
puesta geld inzetten; inzetten inzet; leg; pot; poule; speelgeld
VerbRelated TranslationsOther Translations
apostar inzetten; speelgeld inzetten; verwedden; wedden aangrijpen; aanwenden; benutten; een gok wagen; erbij doen; gebruik maken van; gebruiken; gokken; met geld spelen; muziek componeren; toepassen; toevoegen; voegen
comenzar beginnen; intreden; inzetten; op gang komen aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanleren; aansteken; aantreden; aanvangen; aanwenden; arrangeren; beginnen; benutten; een begin nemen; eigen maken; gebruik maken van; gebruiken; iets op touw zetten; in de fik steken; inleiden; inrichten; installeren; leren; ondernemen; openen; oppikken; opsteken; regelen; sigaret opsteken; starten; toepassen; toetreden; van start gaan; verwerven
empezar beginnen; intreden; inzetten; op gang komen aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanvangen; beginnen; een begin nemen; inleiden; ondernemen; ontstaan; openen; oprijzen; rijzen; starten; van start gaan; voortkomen
esforzarse inzet tonen; inzetten getroosten; grondig te werk gaan; inspannen; moeite doen; moeite geven
hacer puesta inzetten; speelgeld inzetten
hacer su puesta inzet tonen; inzetten
hacer una apuesta inzetten; verwedden; wedden
iniciar inzet tonen; inzetten aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanvangen; aanwenden; arrangeren; beginnen; benutten; bezigen; een begin nemen; gang maken; gangmaken; gebruik maken van; gebruiken; hanteren; hard draven; iets op touw zetten; in werking stellen; initiëren; inleiden; inwerken; ondernemen; op gang brengen; openen; opstarten; prepareren; regelen; starten; toepassen; van start gaan; voorbereiden op
insertar inzet tonen; inzetten aangrijpen; aanwenden; benutten; erbij doen; gebruiken; inbrengen; inlassen; inleggen; inpassen; insluiten; invoegen; passen in; toepassen; toevoegen; tussen zetten; tussenlassen; tussenleggen; voegen
jugar inzetten; speelgeld inzetten acteren; een gok wagen; gokken; neerleggen; onderuit halen; toneelspelen; uitspelen
jugarse inzetten; verwedden; wedden aangrijpen; aanwenden; benutten; een gok wagen; gebruiken; gokken; toepassen; verbeuren; vergokken; vergooien; verspelen
rendir inzet tonen; inzetten opbrengen; opleveren; overgeven; strijd opgeven; toegeven; zich over geven
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
implementación de software inzetten

Related Words for "inzetten":


Wiktionary Translations for inzetten:


Cross Translation:
FromToVia
inzetten entonar entonnerverser un liquide dans un tonneau.
inzetten rellenar; mechar fourrerintroduire, faire entrer, placer en quelque endroit, mettre parmi d’autres choses.
inzetten introducir; injerir; anunciar introduire — Faire entrer une chose dans une autre.
inzetten poner; meter; colocar mettreplacer une personne, ou un animal, ou une chose dans un lieu déterminé.

External Machine Translations:

Related Translations for inzet