Dutch

Detailed Translations for afspreken from Dutch to Spanish

afspreken:

Conjugations for afspreken:

o.t.t.
  1. spreek af
  2. spreekt af
  3. spreekt af
  4. spreken af
  5. spreken af
  6. spreken af
o.v.t.
  1. sprak af
  2. sprak af
  3. sprak af
  4. spraken af
  5. spraken af
  6. spraken af
v.t.t.
  1. heb afgesproken
  2. hebt afgesproken
  3. heeft afgesproken
  4. hebben afgesproken
  5. hebben afgesproken
  6. hebben afgesproken
v.v.t.
  1. had afgesproken
  2. had afgesproken
  3. had afgesproken
  4. hadden afgesproken
  5. hadden afgesproken
  6. hadden afgesproken
o.t.t.t.
  1. zal afspreken
  2. zult afspreken
  3. zal afspreken
  4. zullen afspreken
  5. zullen afspreken
  6. zullen afspreken
o.v.t.t.
  1. zou afspreken
  2. zou afspreken
  3. zou afspreken
  4. zouden afspreken
  5. zouden afspreken
  6. zouden afspreken
diversen
  1. spreek af!
  2. spreekt af!
  3. afgesproken
  4. afsprekende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

afspreken [znw.] nomen

  1. afspreken (accorderen)
    el acuerdo; el convenio

Translation Matrix for afspreken:

NounRelated TranslationsOther Translations
acuerdo accorderen; afspreken accoord; afkondiging; afspraak; akkoord; arrangement; articulatie; band; beslechting; binding; bond; bondgenootschap; compromis; contract; decreet; evenbeeld; federatie; gemeenschappelijkheid; goedkeuring; instemming; liga; overeenkomst; overeenstemming; pact; regeling; schikking; toestemming; uitspraak; uitvaardiging; unie; verbond; verdrag; vergelijk; vonnisvelling; winkel; winkelzaak; zaak
arreglar afhandelen; ordenen; schikken
convenio accorderen; afspreken accoord; afspraak; akkoord; contract; evenbeeld; goedkeuring; handvest; overeenkomst; regeling; schikking; statuut; toestemming; vereffening; vergelijk; vrijbrief
dirigir besturen; leidinggeven
reunirse samenkomen
VerbRelated TranslationsOther Translations
acordar accorderen; afspreken; overeenkomen beslissen; besluiten; eens worden; kiezen; overeenkomen; overeenstemmen; stemmen; zijn stem uitbrengen
arreglar afspreken; arrangeren; bedisselen; regelen aanzuiveren; afdoen; arrangeren; bereiden; betalen; bijleggen; brouwen; fatsoeneren; fiksen; gereedmaken; goedmaken; herstellen; hervinden; iets op touw zetten; iets regelen; iets toebereiden; in goede staat brengen; in orde brengen; in orde maken; inrichten; installeren; klaarmaken; klaren; klusje opknappen; klussen; maken; meubileren; nabetalen; opknappen; prepareren; rechtzetten; regelen; renoveren; repareren; restaureren; ruzie afsluiten; schikken; terugvinden; vereffenen; vernieuwen; voldoen; zich voegen
citar afspreken; iets overeenkomen aanhalen; citeren; dagvaarden; erbij zeggen; noemen; ontbieden; opnoemen; oproepen; opsommen; sommeren; vermelden
coincidir en afspreken; iets overeenkomen
conformarse a afspreken; iets overeenkomen
convenir accorderen; afspreken; iets overeenkomen; overeenkomen aanstaan; betamen; bevallen; bijpassen; conveniëren; corresponderen; deugen; eens worden; gelegen komen; geschikt zijn; overeenkomen; overeenstemmen; passen; passend zijn; prettig vinden; schikken; stroken; uitkomen
dirigir afspreken; arrangeren; bedisselen; regelen aan het stuur zitten; aanvoeren; adres aanbrengen; adresseren; besturen; bevel voeren over; commanderen; dirigeren; leiden; leiding geven; leidinggeven; managen; orkest dirigeren; regisseren; sturen; verwijzen; voorzitten; zenden; zich voegen
encontrarse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen aantreffen; bij elkaar komen; bijeen komen; elkaar ontmoeten; ergens verkeren; gelegen zijn; liggen; ontdekken; ontmoeten; samenkomen; tegenkomen; treffen; uithangen; verkeren; verzamelen; vinden; zich bevinden; zijn
juntarse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen bij elkaar komen; bijeen komen; elkaar ontmoeten; samenkomen; samenstromen; scharen; verzamelen
llegar a un acuerdo afspreken; iets overeenkomen eens worden; overeenkomen; overeenstemmen
pactar afspreken; iets overeenkomen corresponderen; eens worden; overeenkomen; overeenstemmen; stroken
ponerse de acuerdo afspreken; iets overeenkomen eens worden; overeenkomen; overeenstemmen
quedarse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen elkaar ontmoeten
quedarse en afspreken; iets overeenkomen
reunirse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen bij elkaar komen; bijeen komen; bijeenkomen; elkaar ontmoeten; in bespreking zijn; samenkomen; vergaderen; verzamelen
verse afspreken; elkaar ontmoeten; elkaar zien; samenkomen; treffen

Wiktionary Translations for afspreken:

afspreken
verb
  1. een onderling vergelijk vastleggen

Cross Translation:
FromToVia
afspreken encontrarse meet — see through arrangement
afspreken citarse verabreden — mündlich einen Termin, Treffpunkt oder Treffen vereinbaren
afspreken acordar vereinbaren — eine Abmachung treffen