Dutch

Detailed Translations for dracht from Dutch to English

dracht:

dracht [de ~] nomen

  1. de dracht (zwangerschap; verwachting)
    the pregnancy; the expectation; the wear; the looking forward to; the anticipation; the dress; the outlook; the costume
  2. de dracht (folkloristisch kostuum; klederdracht)
    the folkloric costume; the regional costume; the regional dress; the regional attire

Translation Matrix for dracht:

NounRelated TranslationsOther Translations
anticipation dracht; verwachting; zwangerschap afwachting; hoop; verwachting
costume dracht; verwachting; zwangerschap kleding; kleren; kostuum; maatpak; mantelkostuum; pak; plunje; tenue; uitdossing; uniform
dress dracht; verwachting; zwangerschap gewaad; japon; jurk; jurkje; kleding; kleren; livrei; robe; tenue; uitdossing; uniform
expectation dracht; verwachting; zwangerschap afwachting; hoop; verwachting
folkloric costume dracht; folkloristisch kostuum; klederdracht
looking forward to dracht; verwachting; zwangerschap
outlook dracht; verwachting; zwangerschap afwachting; denkbeeld; gezichtspunt; hoop; idee; interpretatie; inzicht; lezing; mening; oordeel; opinie; opvatting; standpunt; verwachting; visie; zienswijze
pregnancy dracht; verwachting; zwangerschap
regional attire dracht; folkloristisch kostuum; klederdracht
regional costume dracht; folkloristisch kostuum; klederdracht
regional dress dracht; folkloristisch kostuum; klederdracht
wear dracht; verwachting; zwangerschap uitdossing
VerbRelated TranslationsOther Translations
dress aandoen; aankleden; aantrekken; afwerken; garneren; kleden; opmaken; opsmukken; schotels garneren; uitmonsteren; versieren; zich aankleden; zich kleden; zich tooien
wear aan hebben; dragen

Related Words for "dracht":

  • drachten