Dutch

Detailed Translations for chassis from Dutch to English

chassis:

chassis [de ~] nomen, plural

  1. de chassis (onderstel)
    the undercarriage; the chassis; the bogie; the landing gear
  2. de chassis (geraamte)
    the frame-work; the chassis; the carcass; the foundation; the structure; the shell

Translation Matrix for chassis:

NounRelated TranslationsOther Translations
bogie chassis; onderstel
carcass chassis; geraamte frame; geraamte; karkas; raamwerk; skelet
chassis chassis; geraamte; onderstel onderstel; poot; staander; voet
foundation chassis; geraamte bouwfundament; fonds; fundament; fundering; grondlaag; grondslag; het stichten; instelling; ondergrond; onderlaag; oprichting; pensioenfonds; stichting; vestiging
frame-work chassis; geraamte
landing gear chassis; onderstel landingsgestel
shell chassis; geraamte behuizing; bolster; bom; casco; cascowoning; dop; explosief; frame; geraamte; granaat; huls; omhulling; omhulsel; omkleedsel; omwindsel; peul; raamwerk; schaal; schelp; schil; schulp; shell; skelet; vel; verpakking
structure chassis; geraamte basislijn; bouw; bouwsector; bouwsel; bouwwerk; bureaucratie; burocratisme; gebouw; grondlijn; hoofdlijn; hoofdlijn in plan of verhaal; pand; structuur
undercarriage chassis; onderstel landingsgestel
VerbRelated TranslationsOther Translations
shell bombarderen; vanuit de lucht beschieten
structure structureren; structuur aanbrengen; struktureren