Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. schop:
  2. schoppen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for schop from Dutch to Swedish

schop:

schop [de ~ (m)] nomen

  1. de schop (spade; schep)
    skopa; skovel; spade

schop [de ~ (m)] nomen

  1. de schop (voetbeweging; trap)

Translation Matrix for schop:

NounRelated TranslationsOther Translations
njutning schop; trap; voetbeweging aardigheid; geneugte; genieten; genoegen; genot; plezier
nöje schop; trap; voetbeweging aardigheid; entertainment; gein; geneugte; genieten; genoegen; genot; grap; grapjes; jolijt; jool; keet; leut; lol; lolletjes; lust; plezier; pret; pretmakerij; schertsen; tijdverdrijf; uiting van vrolijkheid
skopa schep; schop; spade primeur; scheplepel
skovel schep; schop; spade
spade schep; schop; spade
spark schop; trap; voetbeweging

Related Words for "schop":


Wiktionary Translations for schop:


Cross Translation:
FromToVia
schop spark kick — hit or strike with the leg or foot
schop skyffel; skovel; spade shovel — tool for moving portions of material
schop spade spade — a garden tool with a handle and a flat blade for digging
schop spark Fußtritt — der Tritt einer Person, um diese zu demütigen oder zu züchtigen
schop skyffel; spade bêche — Outil
schop hugg coupimpression que fait un corps sur un autre en le frappant.
schop spark coup de pied — Coup donné avec le pied

schop form of schoppen:

schoppen verb (schop, schopt, schopte, schopten, geschopt)

  1. schoppen (trappen geven; trappen)
    – er een harde stoot met je voet tegen geven 1
    sparka; fjutta; kicka; rekylera
    • sparka verb (sparkar, sparkade, sparkat)
    • fjutta verb (fjuttar, fjuttade, fjuttat)
    • kicka verb (kickar, kickade, kickat)
    • rekylera verb

Conjugations for schoppen:

o.t.t.
  1. schop
  2. schopt
  3. schopt
  4. schoppen
  5. schoppen
  6. schoppen
o.v.t.
  1. schopte
  2. schopte
  3. schopte
  4. schopten
  5. schopten
  6. schopten
v.t.t.
  1. heb geschopt
  2. hebt geschopt
  3. heeft geschopt
  4. hebben geschopt
  5. hebben geschopt
  6. hebben geschopt
v.v.t.
  1. had geschopt
  2. had geschopt
  3. had geschopt
  4. hadden geschopt
  5. hadden geschopt
  6. hadden geschopt
o.t.t.t.
  1. zal schoppen
  2. zult schoppen
  3. zal schoppen
  4. zullen schoppen
  5. zullen schoppen
  6. zullen schoppen
o.v.t.t.
  1. zou schoppen
  2. zou schoppen
  3. zou schoppen
  4. zouden schoppen
  5. zouden schoppen
  6. zouden schoppen
en verder
  1. ben geschopt
  2. bent geschopt
  3. is geschopt
  4. zijn geschopt
  5. zijn geschopt
  6. zijn geschopt
diversen
  1. schop!
  2. schopt!
  3. geschopt
  4. schoppend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

schoppen [de ~] nomen, plural

  1. de schoppen (spades; scheppen)
    spader
  2. de schoppen (schoppenmotief)

Translation Matrix for schoppen:

NounRelated TranslationsOther Translations
spader scheppen; schoppen; spades
spader mönstrad schoppen; schoppenmotief
VerbRelated TranslationsOther Translations
fjutta schoppen; trappen; trappen geven
kicka schoppen; trappen; trappen geven
rekylera schoppen; trappen; trappen geven
sparka schoppen; trappen; trappen geven aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; in werking stellen; ontheffen; ontslaan; opstarten; uitsturen; van zijn positie verdrijven; verzenden; wegsturen; wegzenden

Related Words for "schoppen":


Synonyms for "schoppen":


Related Definitions for "schoppen":

  1. er een harde stoot met je voet tegen geven1
    • hij schopte de bal in het doel1

Wiktionary Translations for schoppen:


Cross Translation:
FromToVia
schoppen sparka boot — kick
schoppen sparka kick — strike with or raise the foot or leg
schoppen spader spade — one of the black suits in a deck of cards
schoppen spader spades — suit of playing cards
schoppen spader PikFarbe im französischen Kartenblatt mit einem schwarzen Lindenblatt als Symbol
schoppen trampa tretenHilfsverb haben: ein Pedalfahrzeug mit den Füßen antreiben
schoppen sparka tretenHilfsverb haben: mit dem Fuß oder Knie einen Hieb versetzen