Dutch

Detailed Translations for merken from Dutch to Swedish

merken:

merken verb (merk, merkt, merkte, merkten, gemerkt)

  1. merken (aankruisen)
    markera med ett kors
  2. merken (aankruisen)
    pricka av; markera
    • pricka av verb (prickar av, prickade av, prickat av)
    • markera verb (markerar, markerade, markerat)
  3. merken (bekrachtigen; certificeren; waarmerken; bestempelen)
    bekräfta
    • bekräfta verb (bekräftar, bekräftade, bekräftat)
  4. merken (bespeuren; zien; voelen; )
    märka; ana; förstå; känna; uppfatta
    • märka verb (märker, märkte, märkt)
    • ana verb (anar, anade, anat)
    • förstå verb (förstår, förstod, förstått)
    • känna verb (känner, kännde, kännt)
    • uppfatta verb (uppfattar, uppfattade, uppfattat)
  5. merken (waarnemen; zien; observeren; )
    närvara; observera; bevittna; övervara
    • närvara verb (närvar, närvarit)
    • observera verb (observerar, observerade, observerat)
    • bevittna verb (bevittnar, bevittnade, bevittnat)
    • övervara verb (övervarar, övervarade, övervarat)
  6. merken (bemerken; opmerken; waarnemen; signaleren; gewaarworden)
    märka; uppmärksamma; lägga märke till; observera
    • märka verb (märker, märkte, märkt)
    • uppmärksamma verb (uppmärksammar, uppmärksammade, uppmärksammat)
    • lägga märke till verb (lägger märke till, lade märke till, lagt märke till)
    • observera verb (observerar, observerade, observerat)

Conjugations for merken:

o.t.t.
  1. merk
  2. merkt
  3. merkt
  4. merken
  5. merken
  6. merken
o.v.t.
  1. merkte
  2. merkte
  3. merkte
  4. merkten
  5. merkten
  6. merkten
v.t.t.
  1. heb gemerkt
  2. hebt gemerkt
  3. heeft gemerkt
  4. hebben gemerkt
  5. hebben gemerkt
  6. hebben gemerkt
v.v.t.
  1. had gemerkt
  2. had gemerkt
  3. had gemerkt
  4. hadden gemerkt
  5. hadden gemerkt
  6. hadden gemerkt
o.t.t.t.
  1. zal merken
  2. zult merken
  3. zal merken
  4. zullen merken
  5. zullen merken
  6. zullen merken
o.v.t.t.
  1. zou merken
  2. zou merken
  3. zou merken
  4. zouden merken
  5. zouden merken
  6. zouden merken
en verder
  1. ben gemerkt
  2. bent gemerkt
  3. is gemerkt
  4. zijn gemerkt
  5. zijn gemerkt
  6. zijn gemerkt
diversen
  1. merk!
  2. merkt!
  3. gemerkt
  4. merkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for merken:

NounRelated TranslationsOther Translations
bevittna getuigenbank
märka aanstrepen
VerbRelated TranslationsOther Translations
ana bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; voelen; waarnemen; zien tegemoetzien; uitkijken naar; verwachten; vooruitzien
bekräfta bekrachtigen; bestempelen; certificeren; merken; waarmerken bekrachtigen; bevestigen; bezegelen; goedkeuren; homologeren; van mening zijn; voorstaan
bevittna bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien getuigen van; laten blijken; laten zien
förstå bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; voelen; waarnemen; zien begrijpen; doorzien hebben; inzien; met het verstand vatten; snappen; tolken; verstaan
känna bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; voelen; waarnemen; zien aangrijpen; beleven; betasten; bevoelen; ervaren; gewaarworden; iets voelen; kennen; ondervinden; ontroeren; op de hoogte zijn; voelen; weten
lägga märke till bemerken; gewaarworden; merken; opmerken; signaleren; waarnemen bemerken; notitie nemen van; opmerken
markera aankruisen; merken aanstrepen; afbakenen; afpalen; afvinken; afzetten; begrenzen; keurmerken; markeren; omlijnen; selecteren; vinken
markera med ett kors aankruisen; merken
märka bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; opmerken; signaleren; voelen; waarnemen; zien bemerken; etiketteren; opmerken
närvara bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien erbij zijn; tegenwoordig zijn
observera bekijken; bemerken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; opmerken; signaleren; voelen; waarnemen; zien aankijken; bekijken; gadeslaan; in de gaten houden; in het oog houden; kijken; observeren; opletten; toekijken; toeschouwen; toezien; waarnemen; zien
pricka av aankruisen; merken aanstrepen; afvinken; vinken
uppfatta bemerken; bespeuren; gewaarworden; merken; ontwaren; voelen; waarnemen; zien
uppmärksamma bemerken; gewaarworden; merken; opmerken; signaleren; waarnemen aanschouwen; bekijken; kijken; notitie nemen van; onderscheiden; ontwaren; opmerken; staren; turen; zien
övervara bekijken; gadeslaan; gewaarworden; horen; merken; observeren; signaleren; voelen; waarnemen; zien

Related Words for "merken":


Synonyms for "merken":


Related Definitions for "merken":

  1. er een teken op zetten1
    • de bomen die weg moeten, zijn gemerkt1
  2. het in de gaten krijgen1
    • ik heb niet gemerkt dat je binnenkwam1

Wiktionary Translations for merken:


Cross Translation:
FromToVia
merken märka; lägga märke till merken — sich einer Sache bewusst werden
merken lägga märke till; märka merken — etwas mit den Sinnen wahrnehmen
merken teckna; rita zeichnen — (transitiv) eine bildliche Darstellung mittels Stift, Kohle, Kreide und Ähnlichem oder mittels stiftbasierter Eingabegeräte (Touchpens), virtuellem Stift beziehungsweise Mausklick vornehmlich in Linien und Strichen von etwas oder jemandem (künstlerisch) anfertigen, welche sich letztlich
merken märka apercevoir — Remarquer une chose qui avait échappé d’abord.
merken uppvisa; utpeka; kora désigner — Traduction à trier
merken märka; stämpla marquer — Distinguer une chose d’une autre au moyen d’une marque. (Sens général).

merk:

merk [het ~] nomen

  1. het merk (merknaam)
    – naam die een fabrikant aan een produkt geeft 1
    varumärke; sort
  2. het merk (handelsmerk; label)
  3. het merk (merkteken; eigenschap; kenmerk)
  4. het merk (maak)
    – naam die een fabrikant aan een produkt geeft 1
  5. het merk
    varumärke

Translation Matrix for merk:

NounRelated TranslationsOther Translations
fabrikation maak; merk
firmamärke handelsmerk; label; merk handelsmerk; handelsnaam; warenmerk
igenkänningstecken eigenschap; kenmerk; merk; merkteken brandteken; eigenschap; herkenningsteken; karakteristiek; kenmerk
sort merk; merknaam aard; klasse; onderverdeling; soort
tillverkning maak; merk fabricatie; makelij; productie
varumärke handelsmerk; label; merk; merknaam handelsmerk; handelsnaam; warenmerk

Related Words for "merk":


Related Definitions for "merk":

  1. naam die een fabrikant aan een produkt geeft1
    • welk merk koffie gebruik jij?1
  2. teken op een voorwerp dat een speciale eigenschap aangeeft1
    • aan het merkje kun je zien dat de lepel van zilver is1

Wiktionary Translations for merk:


Cross Translation:
FromToVia
merk märke; varumärke brand — name, symbol, logo
merk märke make — brand (jump)
merk märke Marke — Ware mit einem bestimmten geschützten Namen