Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. uitdijing:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for uitdijing from Dutch to English

uitdijing:

uitdijing [de ~ (v)] nomen

  1. de uitdijing (aangroei; uitdijen; aanwas)
    the arising; the swelling; the rising; the growing; the increasing; the expanding; the emerging

Translation Matrix for uitdijing:

NounRelated TranslationsOther Translations
arising aangroei; aanwas; uitdijen; uitdijing
emerging aangroei; aanwas; uitdijen; uitdijing
expanding aangroei; aanwas; uitdijen; uitdijing
growing aangroei; aanwas; uitdijen; uitdijing aanfok; aankweek; aankweken; aanplant; aanplanten; cultuur; fok; fokkerij; kweken; planten; reproductie; teelt; telen; verbouw; verbouwen; voortbrenging; voortplanting
increasing aangroei; aanwas; uitdijen; uitdijing
rising aangroei; aanwas; uitdijen; uitdijing aanwassen; aanzwellen; klimmen; omhoog komen; omhoogkomen; opstijgen; rijzing; stijgen; stijging; verrijzing; wassen; zwellen
swelling aangroei; aanwas; uitdijen; uitdijing bobbel; bolling; buil; bult; dikte; knobbel; kwetsuur; letsel; opgezwollen plek; opzetting; pukkel; steenpuist; wassen; zwellen; zwelling
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
growing groeiend; in toenemende mate; meer en meer; toenemend; verbouwend
increasing in toenemende mate; klimmend; meer en meer; omhooggaand; oplopend; oprijzend; rijzend; stijgend; toenemend; verheffend
rising klimmend; omhooggaand; oplopend; oprijzend; rijzend; stijgend; toenemend; verheffend

Wiktionary Translations for uitdijing:

uitdijing
noun
  1. inflation of the universe