Summary


Dutch

Detailed Translations for rumoer from Dutch to English

rumoer:

rumoer [het ~] nomen

  1. het rumoer (gedruis; tumult)
    the rumour; the roar; the hubbub; the noise; the hum; the movement; the din; the rumor
  2. het rumoer (lawaai; kabaal; spektakel; herrie; leven)
    the hullabaloo; the noise; the tumultuousness; the racket; the clamour; the hubbub; the tumult; the clamor
  3. het rumoer (geluid)
    the noise
    – sound of any kind (especially unintelligible or dissonant sound) 1
    • noise [the ~] nomen
      • he enjoyed the street noises1
      • they heard indistinct noises of people talking1
      • during the firework display that ended the gala the noise reached 98 decibels1
    the sound
    – the particular auditory effect produced by a given cause 1
    • sound [the ~] nomen
      • the sound of rain on the roof1
      • the beautiful sound of music1
    the fuss
    • fuss [the ~] nomen
  4. het rumoer (tumult; pandemonium; opschudding; )
    the tumultuousness; the pandemonium; the uproar; the hullabaloo; the commotion; the bedlam; the noise; the tumult; the hubbub; the clamour; the din; the racket; the clamor
  5. het rumoer (kouwe drukte; drukte; ophef)
    the fuss
    • fuss [the ~] nomen

Translation Matrix for rumoer:

NounRelated TranslationsOther Translations
bedlam beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; tumult
clamor beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult luidruchtigheid; misbaar
clamour beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult luidruchtigheid; misbaar
commotion beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; tumult beroering; deining; drukte; geharrewar; heisa; krakeel; onlust; onrust; ophef; oproer; opschudding; opstand; opstootje; opzien; rel; rep; roerigheid; sensatie; verwarring; volksoproer; vuistgevecht
din beroering; drukte; gedruis; geraas; heibel; heksenketel; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; tumult drukte; gebrom; gedreun; gemurmel; geroezemoes; heisa; herrie; krakeel; lawaai; luidruchtigheid; tumult
fuss drukte; geluid; kouwe drukte; ophef; rumoer deining; drukte; franje; gechicaneer; geharrewar; gelazer; heisa; kouwe drukte; krakeel; narigheid; omslachtigheid; ophef; poespas; rompslomp; trammelant; veel gedoe
hubbub beroering; drukte; gedruis; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult drukte; heisa; krakeel; luidruchtigheid; stampei; tamtam
hullabaloo beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult luidruchtigheid; stampei; tamtam
hum gedruis; rumoer; tumult gebrom; gemurmel; geroezemoes; gezoem
movement gedruis; rumoer; tumult
noise beroering; drukte; gedruis; geluid; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult herrie; lawaai; tumult
pandemonium beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; tumult oproer; opstand; opstootje; rel; volksoproer; vuistgevecht
racket beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult luidruchtigheid; stennis
roar gedruis; rumoer; tumult gegil; gekrijs; geschreeuw
rumor gedruis; rumoer; tumult gerucht; praat
rumour gedruis; rumoer; tumult gerucht; praat
sound geluid; rumoer intonatie; klank; klankgeluid; klankkleur; klanktint; timbre; toon; zeestraat; zeeëngte
tumult beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult luidruchtigheid; oploop
tumultuousness beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult luidruchtigheid
uproar beroering; drukte; geraas; heibel; heksenketel; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; tumult herrie; lawaai; misbaar; stampei; tamtam; tumult
VerbRelated TranslationsOther Translations
hum blazen; brommen; fluiten; gonzen; neuriën; pijpen; zoemen
roar blaffen; blèren; brullen; bulderen; daveren; het uitgillen; joelen; schreeuwen; uitjouwen; uitroepen; uitschreeuwen
sound beieren; bellen; doorklinken; echoën; galmen; iemand opbellen; klank voortbrengen; klinken; klokluiden; luiden; met sonde onderzoeken; opbellen; resoneren; schallen; sonderen; telefoontje plegen; weergalmen; weerkaatsen; weerklinken; weerschallen
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
sound aannemelijk; betrouwbaar; degelijk; degelijke; deugdelijk; doortimmerd; gedegen; gefundeerd; gegrond; kredietwaardig; logisch; op goede gronden steunend; solide; solvabel; solvent; steekhoudend; van goede hoedanigheid
OtherRelated TranslationsOther Translations
movement beweging

Related Words for "rumoer":

  • rumoeren

Wiktionary Translations for rumoer:

rumoer
noun
  1. noise

Cross Translation:
FromToVia
rumoer rumor; rumour rumeur — Mouvement de suspicion publique contre quelqu’un
rumoer rumor; rumour rumeur — Information diffusée dont la véracité est douteuse
rumoer drumming; clamour; uproar tapagebruit désordonné, tumultueux.

External Machine Translations: