Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. korter maken:


Dutch

Detailed Translations for korter maken from Dutch to English

korter maken:

korter maken verb

  1. korter maken (verkorten; inkorten)
    to shorten; to curtail; to crop; to abridge; to trim; to clip
    • shorten verb (shortens, shortened, shortening)
    • curtail verb (curtails, curtailed, curtailing)
    • crop verb (crops, cropped, cropping)
    • abridge verb (abridges, abridged, abridging)
    • trim verb (trims, trimmed, trimming)
    • clip verb (clips, clipped, clipping)

korter maken [znw.] nomen

  1. korter maken (inkorten; verkorten; bekorten)
    the shortening; the abbreviating; the abridging

Translation Matrix for korter maken:

NounRelated TranslationsOther Translations
abbreviating bekorten; inkorten; korter maken; verkorten afkorten; korten; snoeien
abridging bekorten; inkorten; korter maken; verkorten afkorten; korten; snoeien
clip clip; kleine tik; klem; klemhaak; klopje; kram; mediaclip; multimediaclip; scheerwol; tang; tikje
crop gewas; oogst; opbrengst van gewas; paardenzweep; pluk; rijzweep; teelgewas; wijnoogst
shortening bekorten; inkorten; korter maken; verkorten bekorting; besnoeiing; besparing; bezuiniging; inkrimping; kostenbesparing; verkorting; verkrappen
trim boordsel; galon; omzoming; oplegsel; passement
VerbRelated TranslationsOther Translations
abridge inkorten; korter maken; verkorten bekorten
clip inkorten; korter maken; verkorten een opdonder verkopen; haar kort laten knippen; knotten; kort knippen; kort maken; korten; kortwieken; scheren
crop inkorten; korter maken; verkorten bijsnijden; haar kort laten knippen; kortwieken; minder maken; minimaliseren
curtail inkorten; korter maken; verkorten afnemen; beknotten; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen
shorten inkorten; korter maken; verkorten afkorten; bekorten; inkorten; kort maken; kort samenvatten; korte tijd blijven; korten; minder maken; minimaliseren; recapituleren; samenvatten; verkrappen
trim inkorten; korter maken; verkorten afwerken; besnoeien; bijknippen; een beetje knippen; garneren; haar kort laten knippen; knippen; kort knippen; kort maken; korten; kortwieken; minder maken; minimaliseren; omboorden; opmaken; opschikken; opsieren; opsmukken; optuigen; scheren; schotels garneren; snoeien; tooien; trimmen; verfraaien; verluchten; versieren; zich mooi maken

External Machine Translations:

Related Translations for korter maken