Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. knobbel:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for knobbel from Dutch to English

knobbel:

knobbel [de ~ (m)] nomen

  1. de knobbel (buil; bobbel; bult)
    the hump; the swelling; the lump
  2. de knobbel (talent; capaciteit; bekwaamheid; )
    the capacity; the talent; the ingenuity; the ability; the aptitude; the natural ability; the gift
  3. de knobbel (knoest; kwast)
    the knob
    • knob [the ~] nomen
  4. de knobbel (tumor; gezwel)
    the tumour; the tumor
    – an abnormal new mass of tissue that serves no purpose 1
    • tumour [the ~] nomen, engelsk
    • tumor [the ~] nomen, amerikan
    the growth

Translation Matrix for knobbel:

NounRelated TranslationsOther Translations
ability aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft behendigheid; bekwaamheid; capaciteit; geldelijk vermogen; geschiktheid; handigheid; kracht; kunde; kundigheid; kunst; kunstgreep; kunstje; kwaliteit; motorvermogen; ter zake kundigheid; truc; vaardigheid; vermogen
aptitude aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft
capacity aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft bekwaamheid; bevoegdheid; capaciteit; competentie; geldelijk vermogen; inhoud; inhoudsruimte; kracht; kwaliteit; macht; motorvermogen; omvatte ruimte; ter zake kundigheid; vermogen; volume
gift aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft aardigheid; cadeau; geschenk; kado; present; presentje; schenking; verjaardagscadeau
growth gezwel; knobbel; tumor aanfok; aangroei; aangroeiing; aankweek; aankweken; aanplant; aanvulling; aanwas; aanwinst; bloei; cultuur; expansie; fok; fokkerij; groei; groeien; groeiproces; groter worden; kweken; ontplooiing; ontwikkeling; reproductie; stijging; teelt; toename; toeneming; uitbreiding; uitzetting; verbouw; vergroting; verhoging; vermedevuldigen; vermeerdering; versterking; voortbrenging; voortplanting; wasdom
hump bobbel; buil; bult; knobbel bochel; bult
ingenuity aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft genialiteit; inventiviteit; verbeeldingskracht; vernuft; vindingrijk vernuft; vindingrijkheid; voorstellingsvermogen
knob knobbel; knoest; kwast bobbel; hobbel; oneffenheid; ongelijkheid
lump bobbel; buil; bult; knobbel bobbel; bolling; brokje; buil; bult; dikte; kleine brok; klont; klonter; kwetsuur; letsel; opgezwollen plek; opzetting; pukkel; steenpuist; zwelling
natural ability aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft
swelling bobbel; buil; bult; knobbel aangroei; aanwas; bobbel; bolling; buil; bult; dikte; kwetsuur; letsel; opgezwollen plek; opzetting; pukkel; steenpuist; uitdijen; uitdijing; wassen; zwellen; zwelling
talent aanleg; begaafdheid; bekwaamheid; capaciteit; gave; knobbel; kundigheid; scherpzinnigheid; talent; vernuft
tumor gezwel; knobbel; tumor
tumour gezwel; knobbel; tumor
VerbRelated TranslationsOther Translations
gift bedelen; begiftigen; beschenken

Related Words for "knobbel":

  • knobbelen, knobbels, knobbeltje, knobbeltjes

Wiktionary Translations for knobbel:

knobbel
noun
  1. swelling in a tissue area
  2. bump-like imperfection

Cross Translation:
FromToVia
knobbel hump Höcker — Ausbuchtung auf dem Rücken von Tieren (Dromedar, Trampeltier)
knobbel bulge; bump; hump; swelling; knob; knot; protuberance; lump; gnarl; dent bosseenflure, tumeur sur une région osseuse, causer par un choc ou une contusion.
knobbel bump; knob; knot; protuberance; tuber; lump; gnarl enflure — État de ce qui est enflé (1)
knobbel bump; knob; knot; protuberance; tuber; lump; gnarl protubérance — didactique|fr éminence, saillie.