Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. bloesem:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for bloesem from Dutch to English

bloesem:

bloesem [de ~ (m)] nomen

  1. de bloesem
    the blossom; the sprout; the grow

Translation Matrix for bloesem:

NounRelated TranslationsOther Translations
blossom bloesem bloei; bloeiperiode; opbloei; tot bloei komen
grow bloesem
sprout bloesem jonge plant; loot; plantestekje; scheut; schoot; spruit; stek; stekje
VerbRelated TranslationsOther Translations
blossom bloeien; ontgroeien; ontplooien; ontwikkelen; tot hoogconjunctuur komen; tot wasdom komen; uitgroeien
grow aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groot worden; groter worden; hoger worden; omhoog komen; omhoog rijzen; omhooggaan; omhoogkomen; omhoogstijgen; opgroeien; opstijgen; opvliegen; opzetten; rijzen; stijgen; tieren; toenemen; uitdijen; uitzwellen; vermeerderen; volgroeien; volwassen worden; wassen
sprout afkomstig zijn; afstammen; kiemen; omhoog schieten; ontkiemen; ontspruiten; opschieten; spruiten; stammen; uit de grond schieten; uit de kiem te voorschijn komen; voortkomen
ModifierRelated TranslationsOther Translations
sprout ontkiemd

Related Words for "bloesem":

  • bloesemen, bloesems, bloesempje, bloesempjes

Wiktionary Translations for bloesem:

bloesem
noun
  1. flowers on trees

Cross Translation:
FromToVia
bloesem florescence; flowering time; bloom BlüteZustand während des Blühens einer Pflanze, übertragen: Blütezeit, beste Zeit