Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. afschrift:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for afschrift from Dutch to English

afschrift:

afschrift [het ~] nomen

  1. het afschrift (transcriptie; kopie)
    the transcription; the duplicate; the copy; the replica
  2. het afschrift
    the transcript
    – The collection of entries from a chat session. 1

Translation Matrix for afschrift:

NounRelated TranslationsOther Translations
copy afschrift; kopie; transcriptie carbon; copie; doorslag; duplicaat; exemplaar; fotokopie; kopie; kopij
duplicate afschrift; kopie; transcriptie copie; duplicaat; fotokopie; kopie; tweevoud
replica afschrift; kopie; transcriptie carbon; doorslag; duplicaat; fotokopie; kopie; replica
transcript afschrift transcript
transcription afschrift; kopie; transcriptie
VerbRelated TranslationsOther Translations
copy fotokopiëren; imiteren; kopie maken; kopie trekken; kopiëren; nabootsen; nadoen; namaken; navolgen; overschrijven; reproduceren
duplicate dupliceren; kopiëren; multipliceren; reproduceren; stencilen; verdubbelen; vermenigvuldigen; verveelvoudigen

Wiktionary Translations for afschrift:

afschrift
noun
  1. result of copying; an identical duplication

Cross Translation:
FromToVia
afschrift gross; round-hand grosse — commerce|fr Une douzaine de douzaines.

Related Translations for afschrift