Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. spellen:
  2. spel:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for spellen from Dutch to English

spellen:

spellen verb (spel, spelt, spelde, spelden, gespeld)

  1. spellen (de letters van een woord opnoemen)
    to spell
    • spell verb (spells, spelled, spelling)

Conjugations for spellen:

o.t.t.
  1. spel
  2. spelt
  3. spelt
  4. spellen
  5. spellen
  6. spellen
o.v.t.
  1. spelde
  2. spelde
  3. spelde
  4. spelden
  5. spelden
  6. spelden
v.t.t.
  1. heb gespeld
  2. hebt gespeld
  3. heeft gespeld
  4. hebben gespeld
  5. hebben gespeld
  6. hebben gespeld
v.v.t.
  1. had gespeld
  2. had gespeld
  3. had gespeld
  4. hadden gespeld
  5. hadden gespeld
  6. hadden gespeld
o.t.t.t.
  1. zal spellen
  2. zult spellen
  3. zal spellen
  4. zullen spellen
  5. zullen spellen
  6. zullen spellen
o.v.t.t.
  1. zou spellen
  2. zou spellen
  3. zou spellen
  4. zouden spellen
  5. zouden spellen
  6. zouden spellen
en verder
  1. ben gespeld
  2. bent gespeld
  3. is gespeld
  4. zijn gespeld
  5. zijn gespeld
  6. zijn gespeld
diversen
  1. spel!
  2. spelt!
  3. gespeld
  4. spellend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for spellen:

NounRelated TranslationsOther Translations
spell toverformule; tovermiddel; toverspreuk; toverwoord
VerbRelated TranslationsOther Translations
spell de letters van een woord opnoemen; spellen

Related Words for "spellen":


Wiktionary Translations for spellen:

spellen
verb
  1. letters in de juiste volgorde plaatsen
spellen
verb
  1. to write or say the letters that form a word
  2. to compose a word

Cross Translation:
FromToVia
spellen spell épeler — Donner l'orthographe d'un mot, lettre par lettre et grouper les lettres par syllabes.
spellen spelling épellation — Action d'épeler, de nommer une par une les lettres qui composent un mot.

spellen form of spel:

spel [het ~] nomen

  1. het spel
    the game; the play; the playing
  2. het spel
    the gaming
  3. het spel (game)
    the game; the video game; the computer game
    – A class of computer program in which one or more users interact with the computer as a form of entertainment. Computer games run the gamut from simple alphabet games for toddlers to chess, treasure hunts, war games, and simulations of world events. The games are controlled from a keyboard or with a joystick or other device and are supplied on disks, on CD-ROMs, as game cartridges, on the Internet, or as arcade devices. 1

Translation Matrix for spel:

NounRelated TranslationsOther Translations
computer game game; spel
game game; spel beurt; concours; partij; partijtje; pot; potje; rondje; spelletje; strijd; wedstrijd; wedstrijdje
gaming spel
play spel capriool; concours; drama; gespeel; kinderspel; marge; partij; partijtje; pot; potje; schouwspel; speelruimte; speling; strijd; stuk; toneelstuk; wedstrijd; wedstrijdje
playing spel gespeel; kinderspel
video game game; spel
VerbRelated TranslationsOther Translations
play afspelen; bespelen; doen alsof; dollen; ravotten; spelen; stoeien; toneelspelen; wild rennen; wild spelen; zich aanstellen; zich uitleven
OtherRelated TranslationsOther Translations
game flink

Related Words for "spel":


Related Definitions for "spel":

  1. bezigheid met regels, vaak een wedstrijd2
    • kaarten is een spel2
  2. wat je nodig hebt voor een spel2
    • waar is het schaakspel?2

Wiktionary Translations for spel:

spel
noun
  1. een bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
spel
verb
  1. to defeat the rules in order to obtain a result
noun
  1. translations to be checked
  2. trick or deception
  3. playful activity

Cross Translation:
FromToVia
spel playing Spiel — Betätigen von Musikinstrumenten und Musikwiedergabegeräten, Musizieren
spel game; playing Spiel — Tätigkeit ohne Zweck und aus Freude, Spaß an ihr selbst, unterhaltende Beschäftigung, Kurzweil, im Unterschied zur Arbeit, Freizeitbeschäftigung
spel play; game jeu — Divertissement, activité ludique