Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. beperken:
  2. Wiktionary:
  3. User Contributed Translations for beperken:
    • constrain, impair


Dutch

Detailed Translations for beperken from Dutch to English

beperken:

beperken verb (beperk, beperkt, beperkte, beperkten, beperkt)

  1. beperken (beknotten)
    to confine; to limit; to reduce; to cut back
    • confine verb (confines, confined, confining)
    • limit verb (limits, limited, limiting)
    • reduce verb (reduces, reduced, reducing)
    • cut back verb (cuts back, cut back, cutting back)
  2. beperken (inkapselen; limiteren; inperken; indammen)
    restrict; to encapsulate; to confine; to limit; to enclose; envelope; to embank; to dam
    • restrict verb
    • encapsulate verb (encapsulates, encapsulated, encapsulating)
    • confine verb (confines, confined, confining)
    • limit verb (limits, limited, limiting)
    • enclose verb (encloses, enclosed, enclosing)
    • envelope verb
    • embank verb (embanks, embanked, embanking)
    • dam verb (dams, dammed, damming)
  3. beperken (verminderen; reduceren; afnemen; )
    to decrease; to diminish; to reduce; to curtail; to lessen; to scale down; to dwindle; shrink away; to mark down
    • decrease verb (decreases, decreased, decreasing)
    • diminish verb (diminishs, diminished, diminishing)
    • reduce verb (reduces, reduced, reducing)
    • curtail verb (curtails, curtailed, curtailing)
    • lessen verb (lessens, lessened, lessening)
    • scale down verb (scales down, scaled down, scaling down)
    • dwindle verb (dwindles, dwindled, dwindling)
    • mark down verb (marks down, marked down, marking down)
  4. beperken
    restrict
    – To block access to a program or operating system functionality. 1

Conjugations for beperken:

o.t.t.
  1. beperk
  2. beperkt
  3. beperkt
  4. beperken
  5. beperken
  6. beperken
o.v.t.
  1. beperkte
  2. beperkte
  3. beperkte
  4. beperkten
  5. beperkten
  6. beperkten
v.t.t.
  1. heb beperkt
  2. hebt beperkt
  3. heeft beperkt
  4. hebben beperkt
  5. hebben beperkt
  6. hebben beperkt
v.v.t.
  1. had beperkt
  2. had beperkt
  3. had beperkt
  4. hadden beperkt
  5. hadden beperkt
  6. hadden beperkt
o.t.t.t.
  1. zal beperken
  2. zult beperken
  3. zal beperken
  4. zullen beperken
  5. zullen beperken
  6. zullen beperken
o.v.t.t.
  1. zou beperken
  2. zou beperken
  3. zou beperken
  4. zouden beperken
  5. zouden beperken
  6. zouden beperken
diversen
  1. beperk!
  2. beperkt!
  3. beperkt
  4. beperkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

beperken [znw.] nomen

  1. beperken (belemmeren)
    the impeding; the hampering; the interfering with

Translation Matrix for beperken:

NounRelated TranslationsOther Translations
dam afsluitdijk; dam; dijk; keerdam; stuw; stuwdam; waterkering
decrease afname; afname voorraad; afnames; afzwakking; bekorting; besnoeiing; besparing; bezuiniging; daling; inkrimping; korten; kostenbesparing; krimpen; minder worden; minderen; reductie; teruggang; terugloop; val; verkorting; vermindering; vervallingen
envelope briefomslag; couvert; envelop; enveloppe; omslag; wikkel
hampering belemmeren; beperken
impeding belemmeren; beperken
interfering with belemmeren; beperken
limit begrenzing; grens; grenswaarde; limiet; uiterste
VerbRelated TranslationsOther Translations
confine beknotten; beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren
curtail afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen beknotten; inkorten; inperken; korter maken; verkorten
cut back beknotten; beperken besnoeien; knippen; snoeien; trimmen
dam beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren
decrease afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen afnemen; dalen; declineren; inkrimpen; kleiner maken; krimpen; minder worden; minderen; slinken; tanen; teruggaan; verkleinen; verminderen; vervallen
diminish afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen ineenkrimpen; ineenschrompelen; inkrimpen; kleiner maken; kleiner worden; krimpen; schrompelen; slinken; verkleinen
dwindle afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen afnemen; dalen; declineren; ineenkrimpen; ineenschrompelen; inkrimpen; kleiner worden; krimpen; minder worden; minderen; schrompelen; slinken; tanen; teruggaan; verminderen; vervallen
embank beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren bedijken; indammen; indijken
encapsulate beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren bijsluiten; bijvoegen; inkapselen; insluiten; omvatten; toevoegen
enclose beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren afgrenzen; begrenzen; bijsluiten; bijvoegen; inkapselen; insluiten; omvatten; toevoegen; van afsluitende laag voorzien; van grenzen voorzien
envelope beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren omgeven; omringen
lessen afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen aan kracht inboeten; inkrimpen; krimpen; slinken; uitputten; verslappen; verzwakken; zwak worden; zwakker worden
limit beknotten; beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren afgrenzen; begrenzen; van grenzen voorzien
mark down afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen lager maken; verlagen
reduce afnemen; beknotten; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen afprijzen; disloqueren; door koken dikker maken; door koken verdikken; herleiden; inbinden; indikken; inkoken; inkrimpen; kleiner maken; krimpen; lager maken; minder maken; minimaliseren; reduceren; roeren; slinken; temperen; terugvoeren; verdikken; verkleinen; verlagen; verleggen; verminderen; verplaatsen; verschikken; verschuiven; vervoeren; verzetten
restrict beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren beknotten; inperken
scale down afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen minder maken; minimaliseren
shrink away afnemen; beperken; inkrimpen; inperken; krimpen; minder worden; minderen; reduceren; slinken; verkorten; verlagen; verminderen inkrimpen; krimpen; slinken
- bepalen; reduceren

Synonyms for "beperken":


Antonyms for "beperken":


Related Definitions for "beperken":

  1. er niet iets anders bij halen2
    • wil je je tot de hoofdzaken beperken?2
  2. ergens een grens aan stellen, het omlaagbrengen2
    • ik wil het gebruik van plastic zoveel mogelijk beperken2

Wiktionary Translations for beperken:

beperken
verb
  1. restrict
  2. to limit or restrict
  3. to restrict; to keep within bounds
  4. to make shorter
  5. to restrain within bounds

Cross Translation:
FromToVia
beperken limit eingrenzen — einer Sache eine Grenze geben bzw. innerhalb der Grenze beschränken
beperken reduce; restrain; cut; limit einschränkenSchranken setzen, Grenzen setzen, eingrenzen
beperken confine; limit; restrict; constrain; constrict; curtail; stint; abridge; circumscribe limiter — Servir de ligne de démarcation à un terrain, à un pays.

User Translations:
Word Translation Votes
beperken constrain 35
beperken impair 4

External Machine Translations: