Dutch

Detailed Translations for weer from Dutch to German

weer:

weer

  1. weer

weer [de ~ (m)] nomen

  1. de weer (weersgesteldheid; weersomstandigheden; klimaat)
    Wetter; Klima; die Wetterverhältnisse; die Witterung; die Witterungsverhältnisse; die Wetterlage

Translation Matrix for weer:

NounRelated TranslationsOther Translations
Klima klimaat; weer; weersgesteldheid; weersomstandigheden klimaat
Wetter klimaat; weer; weersgesteldheid; weersomstandigheden
Wetterlage klimaat; weer; weersgesteldheid; weersomstandigheden
Wetterverhältnisse klimaat; weer; weersgesteldheid; weersomstandigheden
Witterung klimaat; weer; weersgesteldheid; weersomstandigheden reuk; reukvermogen; reukzin
Witterungsverhältnisse klimaat; weer; weersgesteldheid; weersomstandigheden
AdverbRelated TranslationsOther Translations
- nog
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
abermals herhalend; nogmaals
nochmals herhalend; nogmaals
OtherRelated TranslationsOther Translations
Wetter weer
wieder nog een keer; nog eens
ModifierRelated TranslationsOther Translations
abermals opnieuw; weer andermaal
auf's Neue andermaal; nogmaals; opnieuw; wederom; weer
entgegengesetzt weder; weer; weerom andersom; contrarie; hiertegen; omgekeerd; onverenigbaar; strijdig; tegen; tegendeel; tegengesteld; tegenovergesteld; tegenstrijdig
gegensätzlich weder; weer; weerom contrair; contrasterend; hiertegen; onverenigbaar; polair; strijdig; tegen; tegengesteld; tegenstrijdig
noch einmeal andermaal; nogmaals; opnieuw; wederom; weer
nochmals andermaal; nogmaals; opnieuw; wederom; weer
wieder andermaal; nogmaals; opnieuw; wederom; weer
wieder zurück weder; weer; weerom
wiederum opnieuw; weer alweer

Related Words for "weer":

  • weren, weertje, weertjes

Synonyms for "weer":


Related Definitions for "weer":

  1. opnieuw1
    • je hebt weer een koekje gepakt!1
  2. temperatuur, bewolking, neerslag en wind1
    • het is mooi weer vandaag1

Wiktionary Translations for weer:

weer
noun
  1. de atmosferische omstandigheden
adverb
  1. nog een keer
weer
noun
  1. Bezeichnet den aktuellen Zustand des Klimas.

Cross Translation:
FromToVia
weer wieder; nochmal; noch einmal; erneut; schon wieder again — another time
weer Verteidigung defence — action of protecting from attack
weer Verteidigung defense — action of protecting from attack
weer Wetter weather — state of the atmosphere
weer Wehr weir — adjustable dam
weer Mönch; kastrierter; Ziegenbock wether — castrated buck goat
weer Interdikt; Verbot; Abwehr; Wehr; Verteidigung défense — Action de défendre
weer Meteorologie météo — (familier, fr) temps (conditions climatiques).
weer Wetter; Witterung temps — Disposition de l’air, état de l’atmosphère

weren:

weren verb (weer, weert, weerde, weerden, geweerd)

  1. weren (afhouden)
    wehren; abwehren; sich wehren
    • wehren verb (wehre, wehrst, wehrt, wehrte, wehrtet, gewehrt)
    • abwehren verb (wehre ab, wehrst ab, wehrt ab, wehrte ab, wehrtet ab, abgewehrt)
    • sich wehren verb (wehre mich, wehrst dich, wehrt sich, wehrte sich, wehrtet euch, sich gewehrt)
  2. weren (pareren; afweren)
    abhalten; abwehren
    • abhalten verb (halte ab, hälst ab, hält ab, hielt ab, hieltet ab, abgehalten)
    • abwehren verb (wehre ab, wehrst ab, wehrt ab, wehrte ab, wehrtet ab, abgewehrt)
  3. weren (verdedigen; verweren; afweren)
    verteidigen
    • verteidigen verb (verteidige, verteidigst, verteidigt, verteidigte, verteidigtet, verteidigt)

Conjugations for weren:

o.t.t.
  1. weer
  2. weert
  3. weert
  4. weren
  5. weren
  6. weren
o.v.t.
  1. weerde
  2. weerde
  3. weerde
  4. weerden
  5. weerden
  6. weerden
v.t.t.
  1. heb geweerd
  2. hebt geweerd
  3. heeft geweerd
  4. hebben geweerd
  5. hebben geweerd
  6. hebben geweerd
v.v.t.
  1. had geweerd
  2. had geweerd
  3. had geweerd
  4. hadden geweerd
  5. hadden geweerd
  6. hadden geweerd
o.t.t.t.
  1. zal weren
  2. zult weren
  3. zal weren
  4. zullen weren
  5. zullen weren
  6. zullen weren
o.v.t.t.
  1. zou weren
  2. zou weren
  3. zou weren
  4. zouden weren
  5. zouden weren
  6. zouden weren
diversen
  1. weer!
  2. weert!
  3. geweerd
  4. werend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

weren [het ~] nomen

  1. het weren (verdedigen; afweren; verweren)
    Abwehren; Verteidigen; Wehren

Translation Matrix for weren:

NounRelated TranslationsOther Translations
Abwehren afweren; verdedigen; verweren; weren
Verteidigen afweren; verdedigen; verweren; weren
Wehren afweren; verdedigen; verweren; weren
VerbRelated TranslationsOther Translations
abhalten afweren; pareren; weren afhouden; aftrekken; beletten; ervanaf houden; in mindering brengen; inhouden; terughouden; verrekenen; weerhouden
abwehren afhouden; afweren; pareren; weren afhouden; protesteren; tegenspartelen; tegenstribbelen; terughouden; verzetten
sich wehren afhouden; weren protesteren; sputteren; tegenpruttelen; tegenspartelen; tegensputteren; tegenstribbelen; verzetten
verteidigen afweren; verdedigen; verweren; weren bepleiten; pleiten
wehren afhouden; weren protesteren; tegenspartelen; tegenstribbelen; verzetten

Related Words for "weren":


Wiktionary Translations for weren:


External Machine Translations:

Related Translations for weer