Dutch

Detailed Translations for praalzucht from Dutch to German

praalzucht:

praalzucht [de ~] nomen

  1. de praalzucht (gepraal)
    die Angabe; der Schneid; die Angeberei; die Flunkerei; die Aufschneiderei; der Großtuer; die Großsprecherei; die Windmacherei; die Großtuerei

Translation Matrix for praalzucht:

NounRelated TranslationsOther Translations
Angabe gepraal; praalzucht aanduiding; aangeven; aangifte; aanwijzing; bluf; declaratie; melding; specificatie; verklaring
Angeberei gepraal; praalzucht bluf; branie; dikdoenerij; gebluf; gebral; gepoch; grootspraak; opschepperij; snoeverij
Aufschneiderei gepraal; praalzucht bluf; branie; dikdoenerij; gebluf; gebral; gepoch; grootspraak; opschepperij; snoeverij
Flunkerei gepraal; praalzucht bluf; gejok; gelieg
Großsprecherei gepraal; praalzucht
Großtuer gepraal; praalzucht bluffer; branie; dikdoener; dikdoenerij; dikdoeners; druktemaker; gebluf; gebral; gepoch; grootspraak; opschepper; opschepperij; opscheppers; opsnijder; patser; pocher; praatjesmakers; snoever; snoeverij; snoevers; windbuil; windbuilen; zenuwlijder
Großtuerei gepraal; praalzucht branie; dikdoenerij; gebluf; gebral; gepoch; grootspraak; opschepperij; snoeverij
Schneid gepraal; praalzucht durf; gewaagdheid; lef; moed
Windmacherei gepraal; praalzucht branie; branieschopper; dikdoenerij; gebluf; gebral; gepoch; grootspraak; haantje; opschepperij; snoeverij

External Machine Translations: