Dutch

Detailed Translations for maatstaf from Dutch to German

maatstaf:

maatstaf [de ~ (m)] nomen

  1. de maatstaf (norm; standaard)
    der Standard; die Norm; die Standarte
  2. de maatstaf (toetssteen)
    der Maßstab; Kriterium
  3. de maatstaf (duimstok; maatstok)
    der Zollstock; Bandmaß; Metermaß; die Zollstöcke; Meßband

Translation Matrix for maatstaf:

NounRelated TranslationsOther Translations
Bandmaß duimstok; maatstaf; maatstok centimeter; meetlint; rolmaat
Kriterium maatstaf; toetssteen beding; bepaling; beperking; conditie; criterium; eis; kriterium; laag; niveau; peil; plan; stand; voorwaarde
Maßstab maatstaf; toetssteen beding; bepaling; beperking; conditie; criterium; eis; kriterium; laag; niveau; peil; plan; stand; voorwaarde
Metermaß duimstok; maatstaf; maatstok centimeter; meetlint
Meßband duimstok; maatstaf; maatstok centimeter; meetlint
Norm maatstaf; norm; standaard norm
Standard maatstaf; norm; standaard norm; standaard; standaardinstelling
Standarte maatstaf; norm; standaard banier; norm; standaard; vaan; vaandel; vaantje; vendel; vlag; vlaggetje; wimpel
Zollstock duimstok; maatstaf; maatstok bâton; dirigeerstaf; opvouwbare duimstok
Zollstöcke duimstok; maatstaf; maatstok bâton; dirigeerstaf

Wiktionary Translations for maatstaf:


Cross Translation:
FromToVia
maatstaf Maßstab; Kriterium; Höhenfestpunkt benchmark — a standard for evaluating or measuring
maatstaf Maß measure — indicator
maatstaf Standard standard — something used as a measure