Dutch

Detailed Translations for gebarsten from Dutch to German

gebarsten:


Translation Matrix for gebarsten:

AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
beschädigt beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan flarden; aan scherven; aangeslagen; gebroken; gehavend; geschonden; gewond; kapot; mismaakt; misvormd; stuk
ModifierRelated TranslationsOther Translations
angeschlagen beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan flarden; aangeslagen; gehavend; geraakt; geschonden; getoucheerd; gewond
defekt beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan stukken; buiten gebruik; defect; deficiënt; gebroken; in stukken; kapot; onklaar; stuk; verbroken
durchgebrochen beschadigd; gebarsten; kapot; stuk doorgebroken; gebroken; verbroken
entzwei beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan stukken; defect; doormidden; gebroken; in stukken; kapot; middendoor; onklaar; stuk; uit elkaar; uit elkander; uiteen; uitelkaar; van elkaar; van elkander; vaneen
gebrochen beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan stukken; buiten gebruik; defect; doorbroken; gebelgd; gebroken; in stukken; kapot; misnoegd; onklaar; ontevreden; stuk; stukgebroken; verbroken
kaputt beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan scherven; aan stukken; afgemat; buiten gebruik; defect; dodelijk vermoeid; doodmoe; doodop; gebroken; geruineerd; hondsmoe; in stukken; kapot; naar de knoppen; ongerede; onklaar; op; stuk; verbroken
kaputtgebrochen beschadigd; gebarsten; kapot; stuk gebroken; verbroken
ramponiert beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan flarden; aangeslagen; gehavend; geschonden; gewond
schadhaft beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan stukken; armzalig; defect; gebroken; gehavend; geschonden; in stukken; kapot; karig; mager; onklaar; pover; schamel; schraal; stuk
zerbrochen beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan stukken; defect; gebroken; geruineerd; in stukken; kapot; naar de knoppen; onklaar; stuk; stukgebroken; verbrijzeld; verbroken
zerrissen beschadigd; gebarsten; kapot; stuk aan stukken; defect; gebroken; gescheurd; in stukken; kapot; onklaar; stuk; verscheurd

gebarsten form of barsten:

barsten verb (barst, barstte, barstten, gebarsten)

  1. barsten (kunnen stikken)
    zerspringen; platzen; bersten
    • zerspringen verb (zerspringe, zerspringst, zerspringt, zerspringte, zerspringtet, zerspringt)
    • platzen verb (platze, platzst, platzt, platzte, platztet, geplatzt)
    • bersten verb (berste, birst, barst, barstet, geborsten)
  2. barsten (openspringen; losspringen)
    bersten; aufspringen; platzen
    • bersten verb (berste, birst, barst, barstet, geborsten)
    • aufspringen verb (springe auf, springst auf, springt auf, sprang auf, sprangt auf, aufgesprungen)
    • platzen verb (platze, platzst, platzt, platzte, platztet, geplatzt)

Conjugations for barsten:

o.t.t.
  1. barst
  2. barst
  3. barst
  4. barsten
  5. barsten
  6. barsten
o.v.t.
  1. barstte
  2. barstte
  3. barstte
  4. barstten
  5. barstten
  6. barstten
v.t.t.
  1. ben gebarsten
  2. bent gebarsten
  3. is gebarsten
  4. zijn gebarsten
  5. zijn gebarsten
  6. zijn gebarsten
v.v.t.
  1. was gebarsten
  2. was gebarsten
  3. was gebarsten
  4. waren gebarsten
  5. waren gebarsten
  6. waren gebarsten
o.t.t.t.
  1. zal barsten
  2. zult barsten
  3. zal barsten
  4. zullen barsten
  5. zullen barsten
  6. zullen barsten
o.v.t.t.
  1. zou barsten
  2. zou barsten
  3. zou barsten
  4. zouden barsten
  5. zouden barsten
  6. zouden barsten
diversen
  1. barst!
  2. barst!
  3. gebarsten
  4. barstende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

barsten [de ~] nomen, plural

  1. de barsten (scheuren; sprongen)
    der Risse
  2. de barsten (krakken)
    Anreißen

Translation Matrix for barsten:

NounRelated TranslationsOther Translations
Anreißen barsten; krakken
Risse barsten; scheuren; sprongen
VerbRelated TranslationsOther Translations
aufspringen barsten; losspringen; openspringen opspringen; springen
bersten barsten; kunnen stikken; losspringen; openspringen aan stukken springen; doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven; knappen; ontploffen; ploffen; springen; uit elkaar spatten; uit elkaar springen
platzen barsten; kunnen stikken; losspringen; openspringen aan stukken springen; exploderen; klappen; neerploffen; ontploffen; ploffen; springen; uit elkaar spatten; uit elkaar springen
zerspringen barsten; kunnen stikken aan stukken springen; kapot barsten; knappen; ontploffen; ploffen; springen; uit elkaar spatten; uit elkaar springen

Related Words for "barsten":


Wiktionary Translations for barsten:

barsten
verb
  1. heftig breken of uiteenspatten
barsten
Cross Translation:
FromToVia
barsten bersten; zerplatzen; platzen burst — to break from internal pressure
barsten sterben; krepieren; eingehen; verrecken; Acker crever — Mourir