Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. zij:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for zij from Dutch to Swedish

zij:

zij

  1. zij (ze)

zij [de ~] nomen

  1. de zij (zijde; kant)
    håll; sida; kant
  2. de zij (zijde)

Translation Matrix for zij:

NounRelated TranslationsOther Translations
dom oordeelvelling; uitspraak; veroordeling; vonnis; vonnisspreking; vonnisvelling
håll kant; zij; zijde
kant kant; zij; zijde boordsel; galon; hoekschop; kant; omzoming; oplegsel; passement; rand; randje; vrije ruimte; zijkant
sida kant; zij; zijde bladzijde; flank; geheugenpagina; kantje; pagina; webpagina; zijde; zijkant
PronounRelated TranslationsOther Translations
- ze
OtherRelated TranslationsOther Translations
dom ze; zij men
sidentyg zij; zijde

Synonyms for "zij":


Related Definitions for "zij":

  1. derde persoon enkelvoud vrouwelijk, of meervoud, subject1
    • gaan Jan en Josien ook mee? Zij wel, maar hij niet1

Wiktionary Translations for zij:


Cross Translation:
FromToVia
zij man man — die Leute (im Sinne von: die Öffentlichkeit)
zij hon she — person
zij de; dom they — third-person plural pronoun
zij flank; kant; sida côtérégion des côtes, depuis l’aisselle jusqu’à la hanche.
zij hon elle — Pronom de la troisième personne du singulier féminin sujet
zij flank; kant; sida flancchacune des parties latérales du corps de l’homme ou des animaux, qui est depuis le défaut des côtes jusqu’aux hanches.
zij siden; silke soie — Matière filamenteuse, fine et brillante (sens général)

Related Translations for zij