Dutch

Detailed Translations for splitsen from Dutch to English

splitsen:

splitsen verb (splits, splitst, splitsde, splitsden, gesplitst)

  1. splitsen (uitsplitsen; scheiden; uiteengaan; loskoppelen; uit elkaar halen)
    to divide; to divorce; to separate; to cleave; to sever; to part; to crack
    • divide verb (divides, divided, dividing)
    • divorce verb (divorces, divorced, divorcing)
    • separate verb (separates, separated, separating)
    • cleave verb (cleaves, cleft, cleaving)
    • sever verb (severs, severed, severing)
    • part verb (parts, parted, parting)
    • crack verb (cracks, cracked, cracking)
    to split
    – discontinue an association or relation; go different ways 1
    • split verb (splits, split, splitting)
  2. splitsen (opsplitsen; delen; opdelen)
    to split up; to separate
    – separate into parts or portions 1
    • split up verb (splits up, split up, splitting up)
    • separate verb (separates, separated, separating)
    to itemize; to itemise
    – specify individually 1
    • itemize verb, amerikan (itemizes, itemized, itemizing)
    • itemise verb, engelsk
  3. splitsen (separeren; scheiden; afscheiden; afzonderen; afsplitsen)
    to separate; to differentiate; to tear off
    • separate verb (separates, separated, separating)
    • differentiate verb (differentiates, differentiated, differentiating)
    • tear off verb (tears off, tore off, tearing off)
    to split
    – separate into parts or portions 1
    • split verb (splits, split, splitting)
  4. splitsen (uiteensplijten; kloven; splijten; klieven)
    to split; to cleave; to chop into small pieces; to crack; to chop; split open; to chop up
    • split verb (splits, split, splitting)
    • cleave verb (cleaves, cleft, cleaving)
    • chop into small pieces verb (chops into small pieces, chopped into small pieces, chopping into small pieces)
    • crack verb (cracks, cracked, cracking)
    • chop verb (chops, chopped, chopping)
    • split open verb
    • chop up verb (chops up, chopped up, chopping up)
  5. splitsen (scheiden; uit elkaar halen; uiteenhalen)
    to separate
    • separate verb (separates, separated, separating)
  6. splitsen
    to split
    – To divide an audio or video clip into two clips. 2
    • split verb (splits, split, splitting)
  7. splitsen
    the splitting
    – The process of separating the copy of the file inside Briefcase from the copy outside Briefcase. 2

Conjugations for splitsen:

o.t.t.
  1. splits
  2. splitst
  3. splitst
  4. splitsen
  5. splitsen
  6. splitsen
o.v.t.
  1. splitsde
  2. splitsde
  3. splitsde
  4. splitsden
  5. splitsden
  6. splitsden
v.t.t.
  1. heb gesplitst
  2. hebt gesplitst
  3. heeft gesplitst
  4. hebben gesplitst
  5. hebben gesplitst
  6. hebben gesplitst
v.v.t.
  1. had gesplitst
  2. had gesplitst
  3. had gesplitst
  4. hadden gesplitst
  5. hadden gesplitst
  6. hadden gesplitst
o.t.t.t.
  1. zal splitsen
  2. zult splitsen
  3. zal splitsen
  4. zullen splitsen
  5. zullen splitsen
  6. zullen splitsen
o.v.t.t.
  1. zou splitsen
  2. zou splitsen
  3. zou splitsen
  4. zouden splitsen
  5. zouden splitsen
  6. zouden splitsen
en verder
  1. ben gesplitst
  2. bent gesplitst
  3. is gesplitst
  4. zijn gesplitst
  5. zijn gesplitst
  6. zijn gesplitst
diversen
  1. splits!
  2. splitst!
  3. gesplitst
  4. splitsend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for splitsen:

NounRelated TranslationsOther Translations
chop karbonade; kotelet
crack bam; barst; breuk; coryfee; crack; explosie; geweldenaar; kei; kiertje; knak; knal; knik; krak; kraken; ontploffing; plof; scheur
differentiate maken van onderscheid; onderscheiding
divorce echtscheiding; scheiding; segregatie; verbreking
part aandeel; basisbestanddeel; bestanddeel; component; deel; deeltje; element; fractie; gedeelte; ingrediënt; onderdeel; onderdeeltje; part; portie; segment; stuk
split afsplijten; afsplijting; afsplitsen; afsplitsing; gleuf; kier; opening; scheur; sleuf; torn
splitting splitsen aanbrengen; aftakking; klikken; kruising; kruising van straten; kruispunt; overbrengen; splijting; splitsing; vertakking; wegkruising; wegsplitsing
VerbRelated TranslationsOther Translations
chop klieven; kloven; splijten; splitsen; uiteensplijten fijnhakken; hakken; kleinhakken
chop into small pieces klieven; kloven; splijten; splitsen; uiteensplijten
chop up klieven; kloven; splijten; splitsen; uiteensplijten stukhakken
cleave klieven; kloven; loskoppelen; scheiden; splijten; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteensplijten; uitsplitsen doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven
crack klieven; kloven; loskoppelen; scheiden; splijten; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteensplijten; uitsplitsen aan stukken springen; een krakend geluid maken; huizen kraken; knakken; knallen; knappen; kraken; losbreken; openbreken; openrukken; opensperren
differentiate afscheiden; afsplitsen; afzonderen; scheiden; separeren; splitsen differentiëren; nuanceren; onderscheid aanbrengen in; schakeren
divide loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen hakken; in stukken hakken; kavelen; verdelen; verkavelen
divorce loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen scheiden; uit elkaar gaan
itemise delen; opdelen; opsplitsen; splitsen
itemize delen; opdelen; opsplitsen; splitsen
part loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen scheiden; uit elkaar gaan; uiteengaan; van elkaar gaan
separate afscheiden; afsplitsen; afzonderen; delen; loskoppelen; opdelen; opsplitsen; scheiden; separeren; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteenhalen; uitsplitsen afscheiden; afsplitsen; afzonderen; apart zetten; hakken; in stukken hakken; isoleren; scheiden; uit elkaar gaan; uiteengaan; van elkaar gaan
sever loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen
split afscheiden; afsplitsen; afzonderen; klieven; kloven; loskoppelen; scheiden; separeren; splijten; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteensplijten; uitsplitsen hakken; in stukken hakken; opkrassen
split open klieven; kloven; splijten; splitsen; uiteensplijten openhakken
split up delen; opdelen; opsplitsen; splitsen scheiden; uit elkaar gaan; uiteengaan; van elkaar gaan; zich splitsen
tear off afscheiden; afsplitsen; afzonderen; scheiden; separeren; splitsen afrukken; afscheuren
- scheiden
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
separate afzonderlijk; alleenstaand; apart; besloten; bijzonder; enig; enig in zijn soort; gescheiden; geïsoleerd; los van elkaar; losstaand; onvergelijkbaar; onvergelijkelijk; op zich; op zichzelf staand; privé; separaat; uniek; vrijstaand
split gespleten; gevorkt
ModifierRelated TranslationsOther Translations
split up uit elkaar; uit elkander; uiteen; uitelkaar; van elkaar; van elkander; vaneen

Synonyms for "splitsen":


Antonyms for "splitsen":


Related Definitions for "splitsen":

  1. in delen uiteen gaan3
    • de weg splitst zich hier in twee wegen3
  2. ze niet samen laten blijven3
    • de groep werd in tweeën gesplitst3

Wiktionary Translations for splitsen:

splitsen
verb
  1. in twee of meer delen uiteen gaan
  2. in twee of meer delen opdelen
splitsen
noun
  1. process of splitting an atom
verb
  1. divide something into parts
  2. divide into two or more territories
past
  1. divide along a more or less straight line

Cross Translation:
FromToVia
splitsen split; bifurcate; split off bifurquer — Se diviser en deux.
splitsen divide; separate; share diviserséparer en parties, morceler, fractionner.
splitsen turn over; spew; divide; separate; share; retail; debit débitervendre d’une façon continue, répéter, surtout au détail.
splitsen share; divide; separate partagerdiviser une chose en plusieurs parties séparer, pour en faire la distribution.

External Machine Translations:

Related Translations for splitsen