Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. fixeren:
  2. fixeer:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for fixeren from Dutch to English

fixeren:

fixeren verb

  1. fixeren (onuitwisbaar maken)
    to fix; make something permanent
  2. fixeren (met de ogen)
    to stare at; fix one's eyes on

Translation Matrix for fixeren:

NounRelated TranslationsOther Translations
fix impasse
VerbRelated TranslationsOther Translations
fix fixeren; onuitwisbaar maken aan een touw vastleggen; aan elkaar binden; aan elkaar knopen; aanhechten; aanpassen; afdoen; afstellen; afstemmen; bevestigen; bijstellen; fiksen; flikken; goedmaken; hechten; herstellen; iets regelen; in orde maken; klaarspelen; klaren; knopen; maken; rechtstrijken; rechtzetten; regelen; repareren; schikken; strikken; vastknopen; vastleggen; verhelpen; voor elkaar krijgen
stare at fixeren; met de ogen aangapen; aanstaren
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
fix one's eyes on fixeren; met de ogen
make something permanent fixeren; onuitwisbaar maken

Related Words for "fixeren":


Related Definitions for "fixeren":

  1. met een stof behandelen waardoor het niet meer uit te wissen is1
    • zijn deze foto's wel gefixeerd?1
  2. onbeweeglijk vastzetten1
    • het gebroken been werd gefixeerd met gips1
  3. strak aankijken1
    • hij fixeerde mij met zijn ogen1

Wiktionary Translations for fixeren:


Cross Translation:
FromToVia
fixeren fix; affix; attach; determine; fasten; secure; set; stick; appoint; define; allot fixerattacher, affermir, rendre immobile, maintenir en place.

fixeren form of fixeer:

fixeer [het ~] nomen

  1. het fixeer
    the fixative; the fixer

Translation Matrix for fixeer:

NounRelated TranslationsOther Translations
fixative fixeer
fixer fixeer

Related Words for "fixeer":


Related Translations for fixeren